Nieuwe missie naar Afghanistan is zinloos

Het lukt niet om conflicten op te lossen en veiligheid te brengen zolang een land zich onvoldoende economische ontwikkelt, stellen Willem van de Put en Stefan van Laar.

In de discussie over de politie-trainingsmissie naar Kunduz lijkt het steeds moeilijker om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. Het besluit over de missie zou van invloed zijn op de positie van Nederland in de wereld – de Amerikanen hebben al eerder zware druk op Nederland uitgeoefend, binnen het vorige kabinet zou vals spel zijn gespeeld en de combinatie ‘Provinciale Staten’ en ‘Afghanistan’ levert op Google al meer dan 20.000 hits op.

Wordt de missie nu voorgesteld omwille van de Afghaanse bevolking of om andere redenen? Dat diverse belangen tegelijk worden gediend, is geen probleem en niet meer dan een zaak van gezond verstand, maar waar sprake is van een oorlogssituatie en van een missie die mensenlevens kan kosten, is het zaak om de hoofdlijnen helder te houden.

Om nog eens 467 miljoen euro te besteden aan een Nederlandse missie naar Afghanistan, waarvan de kern bestaat uit gewapende niet-Afghanen, is om een aantal redenen een slecht voornemen. Het belangrijkste misverstand komt voort uit de gedachte die eind jaren negentig werd geformuleerd onder minister Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking, CDA) – eerst veiligheid, vervolgens vrede en dan pas ontwikkeling. Dit principe is in flagrante tegenspraak met alle studies die al decennia aantonen dat vrijwel alle conflicten voortkomen uit een gebrek aan ontwikkeling.

Armoede en uitzichtloosheid vormen geen grond om veiligheid op te bouwen. Als er niets is waaraan mensen waarde hechten, omdat er gewoon niets is, dan is er ook niets om te beschermen, te beveiligen of te bewaken. De stelling dat veiligheid voorop gaat, lijkt nog steeds een borreltafelwijsheid die van stal is gehaald om vredesmissies uit ontwikkelingsgelden te kunnen financieren. Afghanistan is al bijna tien jaar de duidelijkste illustratie van dit misverstand. Het lukt niet om conflicten op te lossen en veiligheid te brengen zolang een land zich onvoldoende economisch ontwikkelt.

De halsstarrigheid van de NAVO om aan een falend beleid vast te houden, is opmerkelijk. De dure lessen van Alexander de Grote, de Britten en recentelijk de Russen zijn niet besteed aan de alliantie. De Talibaan, die de alliantie vanaf het begin hebben uitgedaagd om de strijd op de grond te voeren, hebben al tien jaar gelijk. De aanwezigheid van grote aantallen buitenlandse militairen maakt Afghanistan per definitie onveilig.

Onze politici denken dat Nederland het anders en vooral beter doet dan anderen en spreken van de „3D-benadering” – Defensie, Diplomatie en Development. De 3D-aanpak is al zo oud als de wereld. Als deze niet wordt uitgevoerd door drie partijen, maar alleen door militairen, is het niet vreemd dat de nadruk geheel ligt op ‘Defensie’.

Hoewel over een zogeheten ‘politiemissie’ wordt gesproken, blijkt wederom dat Afghaanse politiemensen militaire taken zullen uitvoeren en voornamelijk door militairen worden opgeleid, onder bescherming van een extra laag militairen. De Afghaanse politie staat bovendien onder gezag van lokale politiechefs, die worden benoemd door lokale warlords. Deze krijgsheren laten zich, net als de bevolking, weinig gelegen liggen aan de in hun ogen niet-representatieve, nationale regering. Dit gebeurt in de context van een land waarin partijen zich voorbereiden op de strijd die zal volgen op het aangekondigde vertrek van de Amerikaanse troepen. Veiligheid die voorafgaat aan ontwikkeling – het is een gotspe.

Het opleiden en bewapenen van politiemensen, bedoeld als bijdrage aan een veilig Afghanistan, kan onder deze omstandigheden evengoed leiden tot juist een grotere bedreiging voor de bevolking. Niet alleen het resultaat van de missie is zeer onzeker, ook de uitvoering kent allerlei risico’s. Na 24 slachtoffers omwille van een zeer troebel resultaat in Uruzgan zou uiterste terughoudendheid gepast zijn bij het riskeren van nog meer levens.

Bovendien bestaan uitstekende alternatieven om uiting te geven aan de Nederlandse betrokkenheid bij de Afghaanse bevolking en de partners in de internationale gemeenschap. De opbouw van publieke diensten en het stimuleren van bescheiden programma’s waarmee mensen een inkomen kunnen verdienen, kan uitstekend worden uitgevoerd zonder militaire of politionele inzet. Het is treurig om steeds te moeten herhalen dat de Provincial Reconstruction Teams op zijn best irrelevant zijn voor de ngo’s die in Afghanistan werken. In de gezondheidszorg veroorzaken ze zelfs schade.

Voor de Afghanen heeft deze missie dus geen zin en voor de ngo’s evenmin. Aannemend dat de Nederlandse regering niet naïef is, moeten de werkelijke motieven daarom worden gezocht in de internationale betrekkingen en gaat het dus om zaken als deelname aan de G20. De zinsnede „het vergroten van de invloed in internationale besluitvormingsprocessen” uit de artikel-100-brief blijkt toch de crux van het verhaal. Hoe dat met het inzetten van „ongeveer 70 personen [...] in specialistische functies binnen internationale militaire staven en hoofdkwartieren” – pagina 3 van de brief – wordt bereikt, is niet duidelijk. In dat perspectief kan deze missie niet meer zijn dan een symbolische daad.

Voorstanders van de missie dienen te beseffen dat zij verantwoordelijk zullen zijn wanneer Nederlandse opleiders straks levensgevaar lopen, terwijl Afghaanse agenten worden gebruikt als kanonnenvoer.

Willem van de Put en Stefan van Laar zijn respectievelijk algemeen directeur en adviseur bij hulporganisatie HealthNet TPO.