Monumentaal gebouw gaat straks de puincontainer in

Staatssecretaris Zijlstra (VVD) wil de monumentenzorg dereguleren. Alleen de gevel wordt nog beschermd. Dat zal veel eigenaren verheugen, maar het is in strijd met internationale afspraken, stelt Koos Steehouwer.

In monumentenland is grote commotie ontstaan. Wat legers bonte knaagkevers nooit vermochten, lukt staatssecretaris Halbe Zijlstra (Cultuur, VVD) binnenkort wel. Hij holt dan met één almachtige Maatregel van Bestuur alle ‘beschermde’, Nederlandse monumenten tot in de kern uit.

Voortaan zullen alleen de voorgevels van onze monumenten effectieve bescherming genieten. Alles wat erachter ligt en waarvan we de laatste decennia hebben geleerd dat juist dáár de echte cultuurhistorische waarden verborgen liggen, wordt prijsgegeven aan de deregulering en aan de puincontainer.

De staatssecretaris heeft zo gemanoeuvreerd dat de reikwijdte van deze maatregelen pas heel laat zichtbaar werd. Dat is geen wonder. De maatregel geeft de eigenaar van een ‘beschermd’ monument de ongecontroleerde vrijheid om achter de voorgevel alles te slopen wat hij wil. Zijlstra’s ingreep dwingt gemeenten op korte termijn tot provisorisch juridisch handelen en zal uitmonden in een stortvloed aan reparatieregelgeving.

Voortaan is geen vergunning meer nodig voor een interne verbouwing in een beschermd monument, „voor zover de monumentale waarden niet worden aangetast”. De achilleshiel van dit voorstel is dat de eigenaar zelf mag bepalen of en waar dat het geval is. In een toetsingsprocedure om vast te stellen of bij de voorgenomen ingreep misschien toch cultuurhistorische waarden verloren gaan, heeft de staatssecretaris niet voorzien – zelfs niet in een eenvoudige meldingsplicht. Dat wil hij ook niet, omdat dat zijn beoogde ‘deregulering’ ongedaan zou maken. Het staat de monumenteigenaar voortaan vrij om zelf te bepalen of zijn plafond historische waarde heeft of niet.

Die duizenden nog niet gedocumenteerde stucplafonds en wandschilderingen waarvan we vermoeden dat ze nog achter de pleisterlagen verborgen zitten, kunnen voortaan dus ongemerkt worden weggehakt en de puincontainer in. Monumentgebruikers contre coeur, zoals winkelketens in binnensteden, zullen deze gelegenheid aangrijpen om hun pandjes uit te hollen, zolang ze dat maar presenteren als ‘onderhoud’.

De belangrijkste reden waarom dit voorstel toezicht onmogelijk maakt, is dat we niet weten wat we beschermen. Wat achter de gevel schuilgaat, weet eigenaar noch Monumentenzorg. Van 80 procent van onze (rijks-)monumenten bestaat geen beschrijving of betrouwbare opmetingstekening van het interieur. Dat is deels het gevolg van de haast waarmee monumentenlijsten vroeger moesten worden opgesteld. Bovendien gold het interieur van een monument tot 1990 als privédomein en daarmee als taboe voor Monumentenzorg.

Pas nadat Nederland de internationale verdragen ondertekende waarin ook het interieur wordt beschermd, zijn gemeentelijke bouwhistorici begonnen om deze kennisachterstand in te halen. Zij doen dat door waarnemingen te doen tijdens verbouwingen. Aangezien in Nederland per duizend beschermde monumenten slechts één onderzoeker beschikbaar is, is dat een langdurige klus.

In plaats van dit proces te versnellen, stelt Zijlstra juist de ‘kleine’ verbouwing vergunningsvrij. Daarmee verdwijnt de enige gelegenheid om beschermde panden te monitoren. Hierdoor wordt in één klap zowel het effectieve toezicht als het serieuze onderzoek beëindigd. Vanaf nu geldt: wat niet weet, wat niet deert. Onze monumenten zullen vogelvrij zijn achter de voordeur.

Het lijkt Zijlstra niet te deren dat zijn voorstellen regelrecht indruisen tegen het verdrag van Granada (1994), waarin staat dat ook het interieur van een monument valt onder de bescherming en dat bovendien „passende goedkeurings- en controleprocedures” voorschrijft.

Zijlstra biedt de gemeenten ter vervanging wel grootmoedig een geleende, juridische hark aan, om daarmee de door hem geslagen bomkrater in de regelgeving weer dicht te schoffelen. Gemeenten zouden het gat in de bescherming kunnen repareren via de Besluiten ‘ruimtelijke ordening’ en ‘omgevingsrecht’.

In die mening staat het ministerie opvallend alleen. Menig jurist heeft geconstateerd dat deze instrumenten ongeschikt zijn voor die taak. Het Rijk kan de juiste werking van deze juridische hulpmiddelen niet garanderen.

Gemeenten staan voor een voldongen feit. Zij zullen met de regeltjes moeten schipperen om hun jarenlange inspanningen voor monumenten niet in één klap verloren te laten gaan. Dit levert in eerste instantie een schimmige toestand op en resulteert in nog veel meer regelgeving, in plaats van de beoogde deregulering.

Al met al plaatst het curieuze, juridische werkstukje van de staatssecretaris de monumentenzorg zestig jaar terug in de tijd. Het stuk lijkt vooral te moeten dienen als windowdressing voor het kabinetsbeleid. Hiermee geeft Zijlstra het interieur van onze monumenten prijs aan de vergetelheid. Achter de pittoreske voorgeveltjes van onze ‘beschermde’ monumenten zullen na enige tijd nog slechts lege hulzen staan.

We zullen niet eens weten wat verloren is gegaan. Dat is door niemand meer vastgelegd. Het is onmogelijk gemaakt, omwille van het populistische effect.

Koos Steehouwer is oud-voorzitter van de Stichting Bouwhistorie Nederland.