Gevangen in wansmaak

Over Lemmy Kilmister (65) van Motörhead is een documentaire gemaakt.

Het resultaat is een hardrockversie van de André Hazes-docu Zij gelooft in mij.

Het zijn niet zijn talloze gouden platen. Het is ook niet zijn ‘privémuseum’ vol nazi-zwaarden, -dolken, en -uniformen. Het is zelfs niet zijn favoriete Rickenbacker-bas die scheurt als een bataljon kettingzagen.

Nee, het dierbaarste bezit van Lemmy Kilmister (65), zonder twijfel ’s werelds ruigste rocker, is zijn zoon Paul. Hij heeft hem dan wel niet zelf opgevoed – „zijn moeder en ik hadden enkel casual sex” – maar dat betekent niet dat vader en zoon nooit een serieus gesprek voeren. Op Pauls zeventiende verjaardag bijvoorbeeld sprak zijn vader hem op strenge toon toe. „Zoon, je moet me iets beloven.” „Wat dan?” „Dat je nooit cocaïne zult gebruiken.” „Oké…” „Je moet speed nemen: dat is veel beter voor je.”

Zo’n vaderlijk advies viel te verwachten van de ‘zwaarst drinkende, oversekste speedfreak in de popbiz’, zoals Lemmy zichzelf typeert in zijn autobiografie White Line Fever (2002). Niet voor niets doopte hij zijn band ‘Motörhead’ – slang voor iemand die strak staat van de amfetaminen.

Na het boek is er nu ook de documentaire. In Lemmy: 49% Motherfucker, 51% Son of a Bitch zien we hoe vader en zoon op de bank herinneringen ophalen aan hun eerste ontmoeting: terwijl Lemmy op een feestje wachtte op een drugsdealer trok er opeens een vierjarig jongetje aan zijn strakke broekspijpen. „Jij bent mijn vader.” Inmiddels zijn ze beste vrienden.

Waar veel rockdocumentaires stranden in kritiekloze heldenverering hebben regisseurs Greg Olliver en Wes Orshoski een soort hardrockversie gemaakt van Zij gelooft in mij, John Appels documentaire over André Hazes. Net als Hazes zit Lemmy gevangen in een harnas van machismo en wansmaak. Hij woont in een aftands appartement op kruipafstand van de Rainbow, een beruchte rockclub op de Sunset Strip in Hollywood. Als Motörhead niet op tour is hangt Lemmy er aan de bar, kettingrokend, whisky-cola tankend en gekluisterd aan het Photoplay-apparaat.

Het openingsshot is fenomenaal. Lemmy zit met ontbloot bovenlijf tussen de puinhopen in zijn flat en bombardeert steden op de Playstation. Als hij is uitgespeeld, veegt hij het aanrecht schoon, hakt wat aardappelen tot friet, gooit ze in een met olie gevulde koekenpan en laat ze netjes uitlekken op keukenpapier. Met het bord op schoot vervolgt hij het bombardement. Waarom hij geen fatsoenlijk huis heeft? „Waarom zou ik?” antwoordt hij verbaasd. „Voor 900 dollar per maand woon ik midden op de strip. Zo’n deal krijg ik nooit meer.”

Lemmy is karikatuur en rolmodel tegelijk. Hij heeft wratten en enorme bakkenbaarden. Het weerhoudt de groupies niet, al wil hij het verhaal dat hij met tweeduizend vrouwen zou hebben geslapen graag nuanceren: het waren er duizend. En reken maar uit, zegt hij. Voor een eeuwige vrijgezel die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, valt dat best mee.

Onder hen zaten ook zwarte vrouwen, zegt hij leunend op de loop van een Duitse tank en gekleed in een bijpassend uniform. „Dat bewijst dat ik de slechtste nazi ooit zou zijn”, zegt hij. De kijker moet weten dat hij „absoluut geen fascist” is, maar enkel een fanatieke verzamelaar. Oorlog brengt „het beste en slechtste in mensen boven”, en dat fascineert hem mateloos. „En als het Israëlische leger de mooiste uniformen had gemaakt, dan zou ik die verzamelen.”

Als jonge Brit zag Lemmy The Beatles optreden nog voor ze een plaat uit hadden. En hij werkte als roadie bij Jimi Hendrix, voor wie hij ook lsd moest scoren. „Als ik dan tien trips haalde mocht ik er drie houden. Die moest ik dan wel meteen in één keer nemen. Jimi nam de overige zeven.”

Het draagt bij aan zijn status als rots van de rock-’n-roll. „Fuck Keith Richards en al die andere gasten die zogenaamd de sixties hebben ‘overleefd’,” foetert Dave Grohl (Nirvana, Foo Fighters) in de film. „Toen zij zo nodig de rockheld moesten uithangen en zich in privévliegtuigen lieten rondvliegen om in het duurste hotel van Parijs een supermodel te naaien maakte Lemmy gewoon een nieuwe Motörhead-plaat.”

Daarvan zijn er inmiddels 21, vijf live-albums niet meegerekend. Het vorige maand verschenen The Wörld Is Yours bevat dezelfde racende drums, scheurbassen en jengelgitaren als Motörheads debuut uit 1977. Lemmy’s typerende hoge brulstem – die ook Metallica-zanger James Hetfield als kind omver blies – is een paar tonen gezakt, maar verder bleef alles intact. De vertrouwde mix van agressieve punkrock en snoeiharde heavy metal geldt als staalkaart voor alle latere metalbands. Dat een nieuwe Motörhead-plaat nooit vrij is van zelfplagiaat nemen de fans voor lief. Zelf is Lemmy ook niet al te kieskeurig, zegt zijn tourmanager Adam Parsons, zolang er vijf essentiële benodigdheden voorhanden zijn: Marlboro, Jack Daniels, speed, gokkasten en strippers; niet toevallig ook de belangrijkste thema’s van het Motörhead-oeuvre.

Maar de laatste jaren zijn er aan Lemmy’s dieet ook pillen toegevoegd tegen diabetes en hoge bloeddruk. „Hij had allang dood moeten zijn”, zegt Black Sabbath-zanger Ozzy Osbourne, zelf clean na veertig jaar exorbitant drank- en drugsmisbruik. „Maar hij is van staal.” Het geheim is dat hij nooit aan heroïne is begonnen, vermoedt Lemmy zelf. En hoewel hij met de rest weigert te stoppen, wil hij „ook niet adverteren voor een levensstijl die zoveel van mijn vrienden heeft gedood”. Onder hen zat ook de liefde van zijn leven, die na een overdosis heroïne in bad verdronk. „Hij heeft drie dagen in een stoel zitten rouwen”, weet zoon Paul, en sindsdien heeft zijn vader nooit meer zo van iemand kunnen houden.

Rock-’n-roll en relaties gaan sowieso niet samen als je zes maanden per jaar toert, concludeert de zanger aan het eind van de film. Backstage in Moskou bedient hij blind een gokkast, waarin naast kersen ook Motörhead-logo’s rondtollen. „Dit is wat ik doe”, zegt hij. „Dit is wie ik ben.”

Lemmy: 49% Motherfucker, 51% Son of a Bitch (Greg Olliver/Wes Orshoski) verschijnt deze week op dvd (Entertainment One).