Eberhard van der Laan als Rien van Nunen

Eberhard van der Laan ontpopt zich als een voortvarende burgemeester van Amsterdam. Hoe beter hem dat lukt, hoe luider de vraag zal klinken of het van de PvdA wel zo verstandig was om zo’n groot talent naar Amsterdam te laten vertrekken. Is dat niet dé fout geweest van Wouter Bos als ‘personeelschef’ van de partij?

Van der Laan was de enige PvdA’er voor wie Wilders zo beducht was dat hij elk debat met hem ontliep. Ook onder druk blijft hij laconiek en tegelijk scherp, een gave die de PvdA goed had kunnen gebruiken in de strijd tegen Wilders.

Gistermiddag presenteerde Van der Laan zich op verzoek van de Volkskrant na zes maanden burgemeesterschap in een volle Rode Hoed aan het publiek.

Hij vond het burgemeesterschap leuk, vertelde hij. „Den Haag is misschien belangrijker, maar minder leuk.”

Als kind, zei hij met een lachje, had hij veel gekeken naar Rien van Nunen in zijn rol van burgemeester bij Swiebertje – een niet te onderschatten inspiratiebron. Ik wil niet al te oneerbiedig zijn, maar in de Rode Hoed deed Van der Laan mij af en toe nogal denken aan deze tv-burgemeester. Een innemende, aangenaam keuvelende burgervader die op zijn gemak promotie bedreef voor zijn stad. Een gewéldige stad dus waar fantástische dingen gebeuren.

Amsterdam staat volgens Van der Laan op de drempel van een nieuwe Gouden Eeuw, het is een prominente congresstad, via Schiphol de toegangspoort voor Europa en na Wenen de tweede groene stad van Europa.

Met de veiligheid komt het ook wel goed, want er zullen 250 rechercheurs op 600 jongens worden gezet, die de laatste vijf jaar samen 15.000 aanhoudingen noodzakelijk maakten.

Elke autoriteit wordt een ietwat zelfgenoegzaam mens als hij te weinig tegengesproken wordt. Dat was ook met Van der Laan het geval.

Zijn interviewers, Martin Sommer en Remco Meijer, maakten het hem zelden lastig, misschien ook doordat ze als Haagse journalisten te weinig thuis waren in de Amsterdamse dossiers. Van der Laan kreeg een vrij veld voor zich – en mocht scoren zoveel hij wilde.

Ook ik ben bereid Amsterdam tot mijn laatste snik te verdedigen, vooral tegenover mensen die er niet wonen en denken dat het er een levensgevaarlijke poel van verderf is, waar je op elk moment en op elke straathoek kunt worden beroofd of verkracht door een Marokkaan die te veel sterke thee heeft gedronken.

Maar we moeten nu ook weer niet doen alsof het in Amsterdam allemaal botertje tot de boom is. De slonzige staat van de openbare ruimte (het naargeestige Leidseplein, het afgebeulde Museumplein, jarenlang opgebroken straten in het centrum, de eindeloos durende aanleg van de Noord/Zuidlijn), de voor jonge mensen onbetaalbaar dure woningmarkt, de kloof tussen het welvarende gedeelte en de achterstandswijken, de dichte musea, de afnemende tolerantie voor homo’s en Joden – allemaal pijnpunten waar Amsterdam nog niet mee in het reine is.

Sommige ervan kwamen in de Rode Hoed helemaal niet te sprake, sommige alleen terloops en sommige pas op aandringen van het publiek.

Van der Laan maakte korte metten met de PVV: „Ze zijn tegen wijkaanpak en tegen inburgering. Ze zijn tegen oplossingen.” Goed gezegd, maar welke oplossingen Amsterdam voor een aantal cruciale problemen heeft, werd mij gisteren niet altijd duidelijk.