Die openbaarmaking zal niet lang duren

De meeste zaken die WikiLeaks openbaart, zijn volstrekt normaal. Ook in het verleden was men zo openhartig. Het zal alleen niet lang duren, voorspelt Albert E. Kersten.

Voor niet-ingewijden is met de publicatie van Amerikaanse, diplomatieke berichten, die in handen zijn gekomen van WikiLeaks, een nieuwe wereld opengegaan. Wie dacht dat het werk van diplomaten hoofdzakelijk uit het overbrengen van stukken van de eigen regering naar een andere, het rondrijden in te dure dienstauto’s en het bijwonen van ontvangsten en diners en andere sociale gebeurtenissen bestond, weet nu wel beter.

Diplomaten werken ook. Zij praten met politici en ambtenaren in het land waar zij zijn geaccrediteerd en rapporteren daarover aan hun eigen ministerie van Buitenlandse Zaken.

Voor insiders is dat geen nieuws. Het verzamelen en versturen van informatie is altijd al de taak geweest van diplomaten. In overheidsarchieven vindt elke onderzoeker vele dossiers met diplomatieke berichten.

Tot nu toe toonde slechts een kleine, gespecialiseerde groep van historici belangstelling voor die rapporten. Ze moesten weliswaar twintig jaar of nog langer wachten totdat ze de stukken mochten lezen, maar ik kan uit eigen ervaring vertellen dat het dan verbazingwekkend is om te zien hoe goed iedereen op de hoogte was van geheime of confidentiële zaken binnen een een regering.

Waarom is dan al die commotie ontstaan in Nederland over de WikiLeaks-documenten? Natuurlijk, zij bieden een erg recente blik in de diplomatieke en politieke keuken. Dat kan pijnlijk zijn voor een minister die net is afgetreden, die is verhuisd naar een ander ministerie of die pas is benoemd tot permanente vertegenwoordiger bij de Europese Unie in Brussel.

Nu alle actoren nog aan het politieke bedrijf deelnemen, lijkt het scabreus dat een fractievoorzitter aan het einde van de kabinetsformatie in 2006 de Amerikaanse ambassadeur informeert over het verloop van de onderhandelingen en het toekomstige buitenlandbeleid. Dat een hoge ambtenaar de Amerikaanse ambassadeur suggesties aan de hand doet over hoe de Nederlandse minister van Financiën onder druk te zetten, lijkt not done, maar het hoort allemaal bij het normale proces van informatieverzameling die de grondslag vormt voor het internationale politieke verkeer.

De verontwaardiging stoelt ook op de misvatting dat binnen het kabinet en de bureaucratie slechts één opvatting bestaat over het te voeren beleid. Dat is nooit het geval. Elke groep probeert zijn eigen positie te versterken. Daarbij kan een buitenlandse vertegenwoordiger soms een handje helpen. Het kan goed zijn om aan hem te laten zien dat je op dezelfde koers zit.

Tijdens mijn onderzoek in Amerikaanse archieven, voor de biografie van oud-minister Luns (Buitenlandse Zaken, KVP), is mij gebleken dat de Amerikaanse ambassade ook in de jaren vijftig en zestig een plek was waar Nederlandse politici, Kamerleden en ambtenaren graag hun hart uitstortten, veel meer dan de Britse, Franse of Duitse ambassade. Dat is logisch. Tenslotte waren de Verenigde Staten de voornaamste en machtigste bondgenoot.

Grote openhartigheid leek ook toen troef te zijn. Zo vertelde Kamerlid Frans Goedhart (PvdA) op 11 mei 1962 zonder blikken of blozen over een besloten zitting van de Tweede Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken waarin het brisante Bunker-voorstel was besproken, over de oplossing van het Nieuw-Guinea-conflict.

Ik zou meer voorbeelden kunnen geven. Stapels dossiers moest ik doorwerken om dit soort informatie boven water te halen. De National Archives in Washington boden ze mij niet digitaal.

Het gebruik van digitale technologie voor de interne, Amerikaanse distributie van de informatie uit het buitenland is het State Department nu fataal geworden. Zal dat ertoe leiden dat aan de rapportage een einde komt, uit angst voor nieuwe lekken, of dat de frequente contacten in de diverse hoofdsteden op een laag pitje worden gezet? Dat is zeer onwaarschijnlijk. De internationale gemeenschap kan niet functioneren zonder de vele informele contacten op allerlei niveaus. Door die contacten wordt besluitvorming voorbereid en mogelijk gemaakt. Informatievergaring betekent ook berichtgeving daarover. Juist het delen van informatie is essentieel.

Een betere beveiliging van die informatie is dus het enige logische antwoord. Dat kon latere openbaarmaking van informatie nog weleens lastiger maken. Daarmee is op termijn het nettoresultaat van WikiLeaks negatief.

Albert E. Kersten is emeritus hoogleraar diplomatieke geschiedenis, Universiteit Leiden.