De pvc-buis: een godsgeschenk voor de jeugd

Vorige week ging het hier over de blaaspijp en het pijltjeschieten, een edele straatsport die inmiddels niet of nauwelijks meer wordt beoefend – de huidige jeugd zit liever achter digitale schietspellen.

De blaaspijp werd begin jaren zeventig in Baarn en omgeving tufbuis(je) genoemd, meldde ik, en ik vroeg of lezers nog andere namen kenden.

Ruim zeventig lezers reageerden – reacties vol herinneringen aan het schieten van pijltjes of witte besjes door openstaande ramen, bovenlichten, in horren, vitrages, op pas gepoetste ramen, op mussen, op elkaar en op nietsvermoedende voorbijgangers.

Aanvullend literatuuronderzoek maakt het mogelijk hier een beknopte geschiedenis van de blaaspijp te presenteren, die bij mijn weten begint in het midden van de 19de eeuw.

Toen verschenen in kranten en tijdschriften geregeld berichten over „wilde stammen” in Indië, met name de Dajaks, die giftige pijltjes afschoten met een wapen dat blaasroer werd genoemd – een woord dat wij al kenden voor een pijp om het vuur mee aan te blazen.

In het Javaans werd zo’n pijp, gemaakt van een uitgehold stuk hout of bamboe, een toeloepan genoemd, en in het Maleis een soempitan (Couperus in 1900 in De Stille kracht: “Zij schoten met een soempitan, tot grote ergernis der bedienden”). Aardig is dat een lezer meldde dat de blaaspijp omstreeks 1960 in Amsterdam-Zuid toeloep werd genoemd – wat zonder twijfel teruggaat op dat Javaanse woord.

Aanvankelijk werd er niet met pijltjes geschoten, maar met harde kleiballetjes, stopverf, erwten en papier dat in de mond tot natte propjes werd gekauwd. We zien dit terug in namen als erwtenschieter, proppenbuis en proppenschieter.

Tussen 1960 en 1985 waren die laatste twee namen in Vlaardingen en Schiedam nog volop in gebruikt, hoewel er toen geen proppen maar pijltjes mee werden geschoten – een mooi voorbeeld van hoe een oude naam een technische vernieuwing kan overleven.

De oudste proppen- en erwtenschieters werden van uitgeholde vliertakken gemaakt, wat natuurlijk een flinke en lastige klus was.

In dat opzicht was de uitvinding van de pvc-buis een godsgeschenk voor de jeugd. „Wij hadden een loodgieters- en elektriciteitsbedrijf”, schreef een vrouw, „en vanaf omstreeks 1950 kwamen jongens na school bij de werkplaats vragen om afvalstukjes pvc-pijp.”

Hoe werden de blaaspijpen nu genoemd? In Stavoren in Friesland spraken de kinderen van floeperbuis, in Leeuwarden waren pielkebuis, pielkebuus en pielkjebuis volop in gebruik (pylk is Fries voor ‘pijl’). In Den Briel mochten de jongeren graag pijleblaassie doen met hun pijle(n)buis of pijlebuisie, en in Vlaams-Brabant en Noord-Brabant zijn de woorden klakkebuis en klakkebus gesignaleerd.

„Wij noemden hem de schietbuis”, schreef een man uit Amersfoort die in de jaren zestig op straat speelde, „en we maakten de pijltjes van schoolschriftpapier. In de kop van het pijltje staken we een koploos spijkertje, dan bleef de pijl in een boom steken (of in de bil van de postbode).”

In feite blijkt tufbuis(je), waar deze zoektocht mee begon, tamelijk zeldzaam: anderen kenden het uit Zeist, Doorn en Utrecht. Wel blijkt deze naam overgesprongen op het witte besje van de ribesstruik.

Iemand schreef: „Als mijn schoonzusje, die uit Baarn komt, bij de bloemist wat witte besjes in een boeket wil, vraagt ze altijd naar tufbesjes. Ze weet niet hoe ze werkelijk heten maar de bloemist weet precies wat ze bedoelt.”

Tot slot: ook de lege huls van een ballpoint kon als blaaspijp dienen, met als munitie kleine stukjes gum op maat gehakt met het mesje uit een puntenslijper, maar daar heb ik nooit een aparte naam voor gehoord.

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

De witte bessen die populair waren als munitie in blaaspijpen, zoals vermeld in het artikel De pvc-buis: een godsgeschenk voor de jeugd (24 januari, pagina 18), komen niet van de ribes, zoals wordt beweerd. Ze komen van de Symphoricarpos albus. De Nederlandse naam van deze bes is ‘sneeuwbes’.