'Vaders bemoeienis met ons ging ver'

De vader van Roland de Laat (1942) werd blind op zijn veertiende. Hij was leergierig en leerde zich te redden. ‘Mijn respect voor hem won altijd’.

‘Je neemt dingen over van een blinde vader. ’s Nachts vind ik moeiteloos mijn weg in het donker, en als er ergens een deur openstaat, dan hoor ik het. Mijn vader was nog veel beter: die kon aan iemands loopje horen of hij nieuwe schoenen aanhad en maakte dan altijd een complimentje.

„Mijn vader was een boerenzoon uit een gemengd bedrijf. Op z’n zesde liep hij achter een paard langs, kreeg een klap en raakte aan één oog blind. Op school constateerden ze vervolgens dat ook zijn andere oog achteruitging. De arts in Oss wist niet hoe hij dat moest behandelen en rond zijn veertiende zag mijn vader niets meer. Een oogarts in Utrecht zei nog: was maar een maand eerder gekomen, dan had ik dat ene oog nog kunnen redden. Ik vind dat wreed. Zoiets zeg je toch niet tegen een kind?

„Mijn vader was leergierig en een goede prater. Op het blindeninstituut bij de fraters in Grave heeft hij zichzelf gevormd: aardrijkskunde, geschiedenis, politiek, klassieke muziek, het boeide hem allemaal mateloos. Hij deed gymnasium, met Spaans als extra vak. Na school kon hij terecht bij Philips, waar ze elk jaar een select aantal gehandicapten in dienst namen. Vader werd typist.

„Philips had nog gescheiden typistenkamers. In de vrouwenkamer zat mijn moeder: een schoenmakersdochter die thuis al een groot huishouden had moeten runnen, omdat zowel haar moeder als haar stiefmoeder vroeg overleden was. Ze had mulo gedaan en woonde op kamers bij een oom. Tijdens het typen zag ze mijn vader op de rug, en ze zag ook hoe hij in de pauze ging wandelen, in z’n eentje of met een begeleider. Die taak heeft zij toen op zich genomen. Ze ontfermde zich over hem en hij liet zich dat lekker aanleunen. Thuis was hij altijd de slimme jongen, de jongen die geleerd had – zijn familie steunde eerder op hem dan omgekeerd. Toen de broers van mijn moeder hoorden dat ze het met een blinde had aangelegd, waren ze fel tegen: daar zat geen toekomst in. Hun kritiek leidde tot een brouille met mijn moeder die nog jaren geduurd heeft.

„Mijn ouders trouwden in 1941: een vrolijke boerenbruiloft bij mijn vader in het dorp. Een jaar later werd ik geboren, daarna volgden in rap tempo mijn broers. ‘We stoppen zodra we een meisje hebben’, schijnt mijn vader zich te hebben voorgenomen. Na vijf jongens kwam Cootje.

„We woonden in de Edisonstraat, die helemaal werd bevolkt door Philips-personeel: aan de westkant woonden de beambten, aan de oostkant de arbeiders. Zij hadden lagere gevels en kleinere huizen dan wij. Bij ons was het ook niet groot. Mijn ouders hadden een wieg in de slaapkamer staan, en in de keuken kon je je kont nauwelijks keren. Maar wij hoorden bij de beambten, dat was belangrijk. Met de kinderen van de overkant speelden we niet.

„We waren kwajongens, mijn broers en ik. Thuis maakten we zoveel herrie dat er in twee groepen gegeten werd: moeder met de kleintjes in de keuken, vader met de drie oudsten in de kamer. Soms maakten we misbruik van zijn blindheid en doken we voor hem weg, onder een bed of zo. Maar hij was handig, hij kreeg altijd wel een been of een voet te pakken.

„School interesseerde ons totaal niet. We presteerden aanvankelijk allemaal ondermaats. Ik zat bij de welpen en de verkenners, en was druk bezig om net zo’n geliefd man te worden als mijn vader. Vader gaf ons bijles en heeft heel wat schooldirecteuren gesmeekt om zijn jongens toch nog een kans te geven, maar meer kon hij ook niet doen. Hij werd er verdrietig van, hij begreep het niet. Voor hem was leren en kennis vergaren van levensbelang. Moeder las hem elke dag het Eindhovens Dagblad voor. Ik ben uiteindelijk drie keer blijven zitten in de derde klas van de hbs, toen werd ik eraf gestuurd. Vader zorgde ervoor dat ik mijn school toch kon afmaken. Toen ging ik in dienst.

„Vaders bemoeienis met ons ging ver. Tijdens mijn officiersopleiding kreeg ik kennis aan een meisje van protestantse komaf. Vader was tegen dat contact en heeft haar toen in een paar lange brieven uitgelegd waarom wij niet voor elkaar bestemd waren. Toen maakte ze het uit. Ik vond dat wel frappant, maar ik nam vader niets kwalijk. Mijn respect voor hem won altijd. Hij zou het wel het beste weten.”

Voor 50.000 kilometer snelweg per jaar draait hij zijn hand niet om. Even naar het huis in Frankrijk: een bouwval toen ze het vonden en nu van alle gemakken voorzien. Hij zou het weer kunnen verkopen.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl