Slijmzwammen nemen bacteriën mee als noodvoorraad

Sociale amoeben houden bacteriën, een beetje zoals mensen varkens houden. Het zijn daarmee de primitiefste organismen met een dergelijke manier van voedselvoorziening. De onderzoekers uit Texas die het ontdekten, noemen het zelfs ‘primitieve landbouw’ (Nature, 20 januari).

Diersoorten die hun eigen voedsel kweken, zijn er maar weinig. Beroemd zijn 200 mierensoorten (de Attini) die leven van de schimmels die ze in hun nesten verbouwen. De mieren sjouwen plantenresten en insectenpoep naar binnen, waarop de schimmels groeien. Ook sommige termieten en kevers doen aan dit soort landbouw, en een enkele slak en een vis.

Evolutionair gezien is de aanpak van die soorten raadselachtig. Hoe konden de dieren het risico nemen om voortaan alleen nog maar zelf verbouwd voedsel te eten? Het landbouwwerk kost energie en één voedselbron maakt kwetsbaar.

Daarom is er veel wetenschappelijke interesse voor de ‘landbouwende’ sociale amoebe. Sociale amoeben zijn eencelligen die bij voedselschaarste samenklonteren tot een vormloze, kruipende kolonie: een ‘slak’. Die slak plant zich voort door sporen te vormen. Hij lijkt zo op eens schimmel en wordt daarom ook slijmzwam genoemd.

De sociale amoebe Dictyostelium discoideum bedrijft een simpele vorm van landbouw. In de slak leven bacteriën die in feite dienen als reservevoedsel voor de amoebe. Eigenlijk prefereren de slijmzwammen bodembacteriën. Maar soms komt een spore terecht op een bodem met minder geschikte bacteriën – de amoebe heeft zijn voorkeuren. Dan profiteert de amoebe ervan dat hij zijn eigen eten bij zich heeft. Hij ‘zorgt’ dus in zoverre voor de bacteriën dat hij ze niet meteen verteert.

Dictyostelium discoideum is een bekend laborganisme. Toch was het nooit opgevallen dat er bacteriën in de slijmplak zitten. En vaak zitten die er ook niet, schrijven biologen van de Texaanse Rice University. Ongeveer één op de drie kolonies verbouwt bacteriën, bleek toen de onderzoekers de amoeben in het wild verzamelden. Dat is bijzonder. Bij andere dierlijke landbouwers heeft de hele soort voor die strategie gekozen.

Te verwachten is dus dat de bacterievoorraad ook een keerzijde heeft. Die nadelen werden gevonden: komt een kolonie terecht op een oppervlak met veel voedzame bacteriën, dan eten de ‘landbouwers’ minder. Ook bewegen ze als slak minder ver. De biologen gaan onderzoeken wat landbouwende amoeben precies onderscheidt van niet-landbouwers. Hester van Santen