Puntmutatie in niergen maakt de kans op hartfalen ongeveer de helft groter

Een veel voorkomende mutatie in een gen dat betrokken is bij de regeling van de bloeddruk maakt de kans dat iemand hartfalen krijgt de helft groter. Het gen is niet actief in het hart, maar in de nieren. Door de mutatie gaan de nieren en bijnieren abnormaal veel renine en aldosteron produceren, hormonen die de bloeddruk verhogen.

Onderzoekers van universiteiten in St. Louis en Philadelphia, denken dat het mogelijk moet zijn om dragers van deze mutatie op te sporen en preventief te behandelen.

Of dat zo is, moet blijken uit een klinische trial die binnenkort begint (Proceedings of the National Academy of Sciences, early edition, 17 januari).

In ons land lijden ongeveer 180.000 mensen, meest zestigplussers, aan hartfalen. De pompfunctie van hun hart schiet chronisch tekort. Geringe inspanningen zijn hun dan vaak al te veel. Hartfalen ontstaat meestal na een hartinfarct, maar ook andere hartafwijkingen en langdurige hoge bloeddruk kunnen de werking van de hartspier blijvend ondermijnen. In het laatste geval ligt de oorzaak doorgaans in de nieren. Die regelen de vochthoeveelheid in het lichaam en daarmee de bloeddruk.

Onderzoek van genen die betrokken zijn bij hartfalen hebben zeer veel mutaties aan het licht gebracht. Onduidelijk was echter welke daarvan iets met de oorzaak van hartfalen te maken hebben en welke een meer secundaire rol hebben. De onderzoekers hadden al eerder een gebied op chromosoom 1 gevonden waarin bij hartfalenpatiënten vaak mutaties voorkomen. Toen zij dat gebied bij zo’n 3.000 patiënten precies in kaart brachten, vonden ze een puntmutatie in het gen CLCNKA. Dat codeert in de nieren voor een transporteiwit voor chloorionen en beïnvloedt indirect de bloeddruk. Door die mutatie produceren de nieren voortdurend te veel renine, een hormoon dat normaal alleen bij lage bloeddruk wordt aangemaakt. Renine stimuleert in de bijnieren de productie van aldosteron dat de bloedvaten vernauwt, waardoor de bloeddruk stijgt.

De gevonden mutatie komt veel voor. Ongeveer de helft van de blanke Amerikanen (en dus ook Europeanen) draagt één exemplaar van het gemuteerde gen bij zich en bij ongeveer een kwart zijn beide kopieën van het gen gemuteerd. Onder zwarte Amerikanen zijn die percentages nog hoger. Mensen met twee exemplaren van de mutatie (die homozygoot zijn) hebben 54 procent meer kans op hartfalen dan mensen zonder mutatie. Huup Dassen