Links krijgt al jaren van alles de schuld. Pardon? Links is al dertig jaar op zijn retour

Bijna al ons ongerief dateert uit de jaren zeventig. De geboortegolf krijgt dus de schuld van alle uitwassen. Klopt die mythe? Nee. Het kabinet-Den Uyl was niet het begin, maar het einde van de linkse dominantie. Piet Hein Donner is niet voor niets de succesvolste babyboomer in de politiek.

Redacteur van NRC Handelsblad. Geboren in 1956.

Willem O. Duys stond als eerste in de frontlinie van de nieuwe tijd. Het was 30 april 1969. Amsterdam werd bestuurd door PvdA, KVP, VVD én CPN. Dit brede college had op de Dam een podium laten neerzetten, ter ere van Koninginnedag. Duys, de presentator van de AVRO-programma’s Muziekmozaïek en Voor de vuist weg, leidde daar de feestvreugde in goede banen. Totdat een man hem toebrulde: „Oranjehoer”. Er bleken meer mensen die er zo over dachten. Waarna het parate peloton van de politie ingreep. Het anti-oranje volk werd aan de kant geveegd.

De Koninginnedagrel stond niet op zich. Twee dagen eerder hadden studenten de Katholieke Hogeschool in Tilburg bezet, ruim twee weken vóórdat dit ook zou gebeuren in het Maagdenhuis in Amsterdam.

De jaren zeventig waren begonnen. Stonden de jaren zestig in het teken van ‘ludiek’ verzet tegen de elite van het verleden, nu kwam de maakbaarheid van de toekomst aan bod. Alles werd politiek, zelfs het persoonlijke.

Deze jaren zeventig zouden ook op een Koninginnedag eindigen. Op 30 april 1980. In Amsterdam woedde door de kraakbeweging toen een „stadsoorlog”, zoals Henk Hofland het hyperbolisch noemde. Uit heel Nederland was politie naar de stad gedirigeerd voor de inhuldiging van koningin Beatrix op de Dam. Voor het middaguur ging het al mis. Krakersvolk rukte vervaarlijk op. Pas bij het vallen van de avond had het gezag Amsterdam weer wat onder controle. Vijf dagen later gaf het niet-krakende deel van de stad antwoord. Op 5 mei 1980 stonden burgers massaal langs de kant toen Canadese veteranen in oude legervoertuigen over de Berlagebrug de stad in trokken. We hebben het ergste gehad, wist PvdA-burgemeester Wim Polak. De jaren zeventig waren voorbij.

Hoewel? Voorbij? Dertig jaar na dato wordt een groot deel van veel taai ongerief nog steeds herleid tot de jaren zeventig van Joop den Uyl. Naar dat decennium waarin de PvdA het hoogste woord had. Naar dat tijdperk waarin Nederland in de greep raakte van de babyboom die ziende blind zijn progressieve levensgevoel wilde opleggen.

De wonden willen maar niet helen. Sinds tien jaar klinkt de weerzin jegens de generatie van toen zelfs steeds navranter. In de jaren zeventig, heet het nu, greep een nieuwe elite de macht. Een elite die de Staat gebruikt om zoete broodjes te bakken voor haar allochtone electoraat. Zelf blijft de ‘linksmens’ intussen profiteren van alle geneugten.

De subtekst van dit verwijt is: als het toen niet was misgegaan, zou het ‘multiculturele’ drama aan ons voorbij zijn gegaan en zouden we niet ‘islamiseren’, maar ‘joods-christelijk’ zijn gebleven.

In deze krant varieert columnist Afshin Ellian op dit thema. Volgens hem heeft de PvdA met haar verzorgingsstaat een soort Sovjet-Unie geschapen. Mogelijk baseert hij deze analogie op zijn ballingschap in Kabul, waar hij als Iraanse asielzoeker in de jaren tachtig onder de rook van het sovjetleger en de KGB kon studeren. Sinds kort levert ook Tweede Kamerlid Martin Bosma (PVV) in deze krant zijn bijdrage aan de schuldvraag. Links hunkert nog steeds naar Toppop en Stop de Neutronenbom, naar zijn „morele superioriteit”, naar de tijd toen de rest van de burgers „nog met vochtige puppy-ogen opkeken naar de boven-ons-gestelden”. Begin januari zette hij een tandje bij. „Toen de Muur viel, stond links met de mond vol tanden. Decennia had het zich ingezet voor de internationale arbeidersklasse, inclusief Goelag”.

Nu met het kabinet-Rutte het spiegelbeeld van het kabinet-Den Uyl aan de macht is, wordt het requisitoir tegen de jaren zeventig kennelijk steeds ruiger.

Een van de eerste critici van dit tijdperk had nog geen vulgaire woorden nodig: Frits Bolkestein. In zijn bundel De twee lampen van de staatsman schreef Bolkestein in 2006: „Er ontstond een lompenintelligentsia. […] Zij leed aan een provinciaal manicheïsme. De gemeenschappelijke noemer was een gebrek aan inzicht in het economische proces, waarop zij neerkeken.” De tijdgeest manifesteerde zich bij uitstek in het „rampzalige” kabinet-Den Uyl. De „negatieve gevolgen” (zoals vertienvoudiging van het begrotingstekort, oplopende staatschuld, werkloosheid en inflatie, onderwijsvernieling) zouden zeker twintig jaar doorwerken.

Dat lijkt raar. Vanaf 1978 was Bolkestein er immers zelf nadrukkelijk bij. Tussen 1977 en 2002 regeerde zijn VVD negentien jaar mee in de kabinetten Van Agt, Lubbers en Kok. Dat is langer dan het CDA (17 jaar) en de PvdA (14 jaar). In de redenering van Bolkestein is het echter niet zo raar. In de jaren zeventig „slaagden gepassioneerde minderheden erin bepaalde discussies naar hun hand te zetten”, is zijn verklaring. Ook hij wist de meerderheid kennelijk niet afdoende te mobiliseren.

Eén van de verklaringen is dat babyboomers, die in de eerste acht jaar na de nazibezetting waren geboren, precies in de jaren zeventig als twintigers maatschappelijke posities verwierven die ze door de omvang van deze generatie tot nu niet meer hebben hoeven afstaan.

Maar is dat ook waar? Die vraag is minder eenvoudig, ook omdat veel critici anno 2011 net zulke onnauwkeurige en conspiratieve (en dus onweerlegbare) argumenten gebruiken als de toen doldrieste wereldverbeteraars met hun in beton gegoten theorieën.

Zijn er dan echt geen exactere criteria? Die zijn er. Om niet in welles-nietes te vervallen, beperk ik me tot verifieerbare wetten die in dat linkse tijdperk tot stand kwamen alsmede tot politici die – in de woorden van Bolkestein – nadien nog decennia zijn blijven ‘doorwerken’.

Eerst die wetten. Natuurlijk, de jaren zeventig werden gekenmerkt door een hoop kostbare nieuwlichterij. Daarin was Nederland overigens niet uniek. Een groot deel van het vrije Westen was er door bevangen. Hoe dan ook, een globale greep uit deze boedel oogt ‘rampzalig’.

De armoede in de academische wereld door de Wet Universitaire Bestuurshervorming die in 1970 door het kabinet-De Jong (KVP, VVD, ARP en CHU) was gerealiseerd. De epidemische ‘Hollandse Ziekte’ waarbij de aardgasbaten door het kabinet-Den Uyl werden gebruikt om collectieve uitgaven van 48 naar 55 procent te laten groeien (1973-1977). De verwording van de Arbeidsongeschiktheidswet (1967) door deze te gebruiken als heimelijke werkloosheidsuitkering. De individuele huursubsidie en wet op de huurprijsontwikkeling (1975) die de woningmarkt ten dele op slot hebben gegooid. Het verbod voor de commerciële radiostations Veronica en Noordzee (1974). De Wet op de Investeringsrekening (1978) van het kabinet-Van Agt (CDA, VVD) waardoor bedrijven zich door de staat konden laten subsidiëren. De erkenning van de Deutsche Demokratische Republik (1973), die door sommige pleitbezorgers met hele of halve communistische sympathie werd bejubeld. Het ideologiseren en soms billijken van stadsguerrillagroepen als de Rote Armee Fraktion. En het ongemak in de omgang met het politieke geweld van Molukse jongeren.

Maar de jaren zeventig werden niet louter en alleen gedomineerd door linkse dwaallichten.

De wat algemenere noties laat ik links liggen. Denk aan de Europacups (Feyenoord en Ajax in 1970, 1971, 1972 en 1973), twee finaleplaatsen op het WK Voetbal (1974, 1978), de medailles van Ard Schenk (1972), de films van Paul Verhoeven, het mondiale succes van Venus van Marisca Veres & Shocking Blue (1969/70) en Radar Love van The Golden Earring (1973). Denk ook aan de blijvende invloed van zowel de VPRO (Kees van Kooten & Wim de Bie, Wim T. Schippers of het Gat van Nederland) als de TROS (Wibo van der Linde en Ivo Niehe). Of aan het vertrek van dictatoriaal Griekenland uit de Raad van Europa (1969), de logistieke steun voor Israël tijdens de existentiële Jom Kippoeroorlog (1973) en de subtiele afhandeling van prins Bernhard (1976).

Nee, ik doel op een aantoonbare wetgevende erfenis van de jaren zeventig die tot op de dag van vandaag een heilzame werking heeft. Sterker, op een erfenis die anno 2011 juist moet worden verdedigd tegen nare onaangepaste jongens die homo’s en blonde vrouwen uitkafferen en intimideren, tegen onliberale moslims die naar men zegt de sharia willen invoeren.

De critici van de jaren zeventig maken gemakshalve graag een onderscheid tussen de liberalisering en de verlinksing van Nederland. Maar ook zij ijveren voor tradities die zich vier decennia geleden aandienden. Ook de canon van hun andere Nederland, met geseculariseerde en geïndividualiseerde burgers die aan de wieg staan van nijverheid en gemeenschapszin, bestaat uit verworvenheden die in de jaren zestig/zeventig zijn bevochten en verankerd door het kabinet-Den Uyl. Al kunnen de premiers De Jong en Van Agt (CDA) en de ministers Polak (VVD) en De Ruiter (CDA) van Justitie (VVD) ook veel op hun conto bijschrijven.

Een beperkte opsomming. De decriminalisering van homoseksuelen door het schrappen van zedelijkheidsartikel 248-bis uit het strafrecht (1971). Het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen dankzij de opening van professionele semilegale abortusklinieken (1971) dat, dankzij allerlei acties (zoals de bezetting Bloemenhovekliniek in 1976), leidt tot een abortuswet (1980/81). De gelijkstelling van man en vrouw in het huwelijk dankzij een nieuw Burgerlijk Wetboek (1972) alsmede de gelijkheid in lonen (1975) en het ontslagverbod van vrouwen bij huwelijk en zwangerschap of bevalling (1976). De versterking van de burgers ten opzichte van de overheid door de wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (1975). Een eerste disciplinering van studenten door de beperking van de studieduur in de wet Herstructurering wetenschappelijk onderwijs (1975). Het begin van duurzaamheid en milieubewustzijn, resulterend in het besluit tot de innovatieve Oosterscheldedam (1975). De afnemende betutteling door een ruimere winkelsluitingswet (1976). De grotere openheid over de schatkist door een herziening van de Comptabiliteitswet (1976). En, lest best, de stimulans voor het ondernemersklimaat door de introductie van de besloten vennootschap en andere rechtspersonen in het civiele recht 1976).

En al die politici dan? Heeft de linkse epoche niet het leeuwendeel van de top van de politieke piramide geleverd? Als het waar is dat de babyboom in de jaren zeventig de macht greep, dan zouden een paar Maagdenhuisbezetters het tot de regering moeten hebben geschopt. Welnu, dat valt tegen. Ton Regtien, Bertus Hendriks, Huib Riethof en Dig Istha – om enkele namen te noemen – hebben amper politieke machtsposities verworven. Riethof werd in 1974 kortstondig wethouder in Amsterdam. De Trêveszaal heeft niemand gehaald. Studentenactivist Pim Fortuyn kwam in 2002 nog het dichtst in de buurt.

Maar laten we niet té kieskeurig zijn. De Maagdenhuisbezetters vormden slechts een voorhoede die de weg vrij maakte voor leeftijdgenoten en geestverwanten. Als de studentenbeweging inderdaad zoveel invloed heeft gehad, dan moet de generatie die nadien afstudeerde en zich in de jaren zeventig maatschappelijk nestelde wel een imposante lijst ministers en staatssecretarissen opleveren.

Sinds 1967 hebben er in in de zestien kabinetten tot nu toe 109 ministers en staatssecretarissen gediend die in 1944 of later zijn geboren, van wie 47 echte babyboomers die hun carrière in de jaren zeventig begonnen.

Een kleine selectie. Bij het CDA (in totaal zestien bewindslieden) duiken de namen op van Enneüs Heerma (1944), Piet Hein Donner, Elco Brinkman, Jaap de Hoop Scheffer (allen geboren in 1948), en Ernst Hirsch Ballin (1950). De PvdA (ook zestien in totaal) kan bogen op Relus ter Beek (1944), Jo Ritzen (1945), Jacq Wallage (1946) en Job Cohen (1947). De VVD (twaalf) is vertegenwoordigd met Joris Voorhoeve (1945), Jozias van Aarsen (1947), Annemarie Jorritsma (1950) en Gerrit Zalm (1952). D66 (vijf) moet het hebben van Winnie Sorgdrager (1948) en Hans Wijers (1951).

Op het lijstje staat niet één premier of vicepresident van de Raad van State. Wél tenminste zes partijleiders die het in die functie niet hebben gered. Pas het tweede cohort (voor de introductie van de pil geboren en dus scholier of student tijdens Den Uyl) levert met Jan Peter Balkenende de eerste naoorlogse premier.

Kortom: Piet Hein Donner – die heeft meegedaan aan coalities met PvdA, D66 en ChristenUnie zowel als met VVD, LPF en PVV – is de succesvolste politieke alleseter uit de babyboom.

Piet Hein Donner! Hoezo linkse kerk? Het lijkt er eerder op dat de ‘gepassioneerde minderheid’ inderdaad altijd een minderheid is gebleven.

De verkiezingsuitslagen voor de Tweede Kamer bewijzen dat ook. In 1977 kwamen de progressieve en/of linkse partijen (PvdA, D66, CPN, PPR en PSP) niet verder dan 67 zetels. Aangevuld met SP bungelden ze daarna tussen minimaal 49 zetels in 2002 tot maximaal 68 zetels in 2006.

Tweevijfde van het volk: meer heeft er nooit ingezeten.

Dat laat zich raden. De jaren zeventig waren weliswaar de jaren van de polarisatie, maar van de drie ingrijpende hervormingen die Den Uyl wilde doorvoeren – grondpolitiek, vermogensaanwasdeling en ondernemingsraden – is alleen de laatste wet min of meer gerealiseerd.

Ook het partijpolitieke effect van de polarisatie was anders dan links voor ogen stond. De Progressieve Volkspartij (PVP) en andere vormen van ‘samengaan’ met de PvdA zijn sinds 1977 mislukt.

De polarisatie stond juist aan de wieg van het CDA. Samen wisten KVP, ARP en CHU tot 1994 niet alleen hun afzonderlijke zeteltal van 1972 te behouden, maar konden ze zeventien jaar onafgebroken de premier te leveren.

En aan de conservatieve zijde groeide de VVD van 16 zetels in 1971 via 28 in 1977 naar 36 in 1982. Haar prominente rol in de regeringen van afgelopen decennia is geënt op deze electorale opmars, die een eerste climax bereikte in de jaren negentig in de coalitiekabinetten met de PvdA. Ook Paars, dat bestond bij de gratie van de VVD, rekende niet af met het linkse verleden uit de jaren zestig/zeventig maar borduurde juist voort op de liberalisering en individualisering uit die tijd.

Ook hierin is Nederland niet uniek. In het halve Westen werd het parool ‘dereguleren, privatiseren en liberaliseren’ steeds dwingender, nadat Margaret Thatcher in 1979 en Ronald Reagan in 1980 aan de macht waren gekomen.

De erfgenamen van de jaren zeventig raakten toen in het defensief. De intelligentsten wisten dat ook. De sociaal-democraat Paul Kalma schreef al in 1982 De illusie van de ‘democratisch staat’ en zes jaar later zelfs Het socialisme op sterk water.

Daarin is geen verandering gekomen toen de ‘Washington Consensus’ van Thatcher en Reagan in 2008/9 kopje onder ging.

Met andere woorden: links is meer dan dertig jaar op zijn retour. Het kabinet-Den Uyl was dan ook niet het begin van de progressieve superioriteit maar de apotheose van de jaren zeventig: eerder een epiloog dan een voorbode.

Eén politicus had dat vrij rap door. Het meest linkse kabinet aller tijen spoorde niet meer met de tijd omdat medio jaren zeventig de „vloedgolf van ideeën uit de zestiger jaren al goeddeels in het zand” liep, zei hij in 1979. Zeven jaar later stelde hij opnieuw vast: „We zijn te laat aan bod gekomen”.

Woorden van Joop den Uyl zelf.