Iedereen zijn eigen Olympus

Het was een opmerking van Fons van Wieringen in een artikeltje in de Volkskrant: „Zelfs bij het basisonderwijs hebben we bestuurders gezien die zich college van bestuur zijn gaan noemen”. Van Wieringen was tot begin dit jaar voorzitter van de Onderwijsraad en hij had het over de dikdoenerij die de afgelopen jaren als een soort taaislijmziekte bezit heeft genomen van het onderwijs.

Ex-voorzitter Leijnse van de HBO-raad zegt in het artikel ongeveer hetzelfde wanneer hij het heeft over „een systeemfout van het hbo. Vroeger waren het vaak eenvoudige stichtingsbestuurtjes, nu zijn er overal colleges van bestuur gekomen met raden van toezicht”.

Het gebeurt niet alleen in het onderwijs; ook het bedrijfsleven is steeds kwistiger geworden met dikke titels voor vaak eenvoudige functies. De voorzitter van het college van bestuur van Van Wieringens basisschool heette vroeger gewoon bovenmeester, die stond voor de zesde klas en deed het regelwerk er in de avonduren bij. Eens in de drie maanden had hij een vergadering met het bestuur, daar zaten een paar plaatselijke notabelen in, en dat was het dan weer voor een tijdje.

In die tijd heette de hoogste baas van de meeste bedrijven gewoon directeur, en dat was iemand die regelmatig achter zijn bureau vandaan kwam om te kijken hoe het ervoor stond bij de verkoop, in de fabriek en bij de boekhouding.

Natuurlijk waren er ondernemingen die zichzelf daar te ingewikkeld voor vonden en een heuse raad van bestuur hadden. De mensen in die bedrijven hadden het er doorgaans over de RvB, spreek uit Ervébé, die zat, nee zetelde op de bestuursverdieping en kwam daar ook zelden van af. Wie er ooit werd ontboden om een rapport te presenteren ofzo had dagen van tevoren al last van knikkende knieën.

Zo kwam menig eenvoudig medewerker tot de conclusie dat er in het leven maar één positie waard was om naar te streven – lid van de raad van bestuur. De RvB was de zetel der goden, het Olympisch Comité, niet van Samaranch en Rogge, maar van Zeus zelf.

Zouden daarom al die eenvoudige bedrijven van toen, en ook al die instellingen voor hbo en basisonderwijs, hun organisaties zo ingewikkeld hebben gemaakt dat er overal raden van bestuur en colleges van toezicht moesten komen? Omdat er nieuwe Olympussen nodig waren om plaats te bieden aan al die aspirerende goden en halfgoden?

Zo langzamerhand heeft iedereen een eigen Olympus om godje op te zijn. Wie moet er nu nog onder de indruk zijn wanneer de volgende ex-stafmedewerker glimmend van trots thuis komt melden dat hij in de Ervébé is benoemd?

Bovendien, wat moet hij antwoorden als iemand dan vraagt wat hij daar gaat doen? Hij is lid. Wat doet een lid? Een lid hangt erbij. Het enige wat hij verder nog kan is zich dik maken, maar dat is doorgaans geen gezicht. Zeker in de werkomgeving is het ook ronduit schadelijk.

Van de NS valt van alles te zeggen, maar niet dat ze het er hoog in de bol hebben. In de tijd van bovenmeesters was wijlen mijn dorpsgenoot Frits van Strien er verantwoordelijk voor alles wat nu onder de divisie reizigersvervoer valt. Een van de belangrijkste functies in het bedrijf dus.

Van Striens functietitel was niet vicepresident ofzo, maar Chef Reizigers, een heldere en eenvoudige aanduiding van zijn verantwoordelijkheid. Hij rapporteerde rechtstreeks aan de hoogste baas, die de titel president-directeur had. Tot 1938 heette die zelfs gewoon directeur. De boodschap: je hoeft niet dik te doen om belangrijk te zijn.

Nog steeds heet de hoogste baas van de NS president-directeur, niet meer. En vooral zonder de collectivistische, verantwoordelijkheid verdoezelende verwijzing naar een raad van bestuur. Michel Tilmant, de Belgische ex-baas van ING zei het hardop bij zijn benoeming als bestuursvoorzitter in 2004: „Collectieve verantwoordelijkheid is geen verantwoordelijkheid”.

Tilmant kon het weten. Hij had zes jaar in de RvB gezeten, als lid. Hij maakte zijn collega-bestuursleden verantwoordelijk voor omlijnde bedrijfsonderdelen, en zij rapporteerden aan hem als hoogste baas. Weliswaar ging het met ING onder zijn leiding niet goed, en hij ruimde het veld. Ook dat hoort bij verantwoordelijkheid.

Het Amerikaanse boss komt van ons woord ‘baas’. Het is een van de bekendste en duidelijkste begrippen die het Nederlands de wereld heeft geschonken. Een goede stelregel in de wereld van woorden is dat de belangrijkste dingen met een of twee lettergrepen zijn aan te duiden. Denk aan brood, wijn, kind, seks, geld, slaap, dood.

‘Lid van de raad van bestuur’ is zeven lettergrepen, dat kan niet deugen, zeker niet naast iemand die zich baas kan laten noemen. Het is als de lijfspreuk van het geslacht Coucy, een clan van notoire vechtersbazen uit een Noord-Frans burchtdorp:

Roi ne suis,

ni prince, ni duc, ni comte aussi,

je suis le Sire de Coucy.

Of anders gezegd, ik maal niet om titels, ik ben hier de baas en wie het niet gelooft, die komt er wel achter.

Wij zijn toe aan een eerherstel voor het woord baas, als geuzennaam. Weg met raden van bestuur, met hun associaties van mahoniehouten vergadertafels waaraan vooral wordt gepraat en geen verantwoordelijkheid genomen.

Colleges van toezicht zijn nog erger, die zitten weer een niveau hoger, om vanuit ijle olympische sferen met de armen over elkaar toe te zien op bestuurders – bestuurders die mensen ‘aansturen’ die het werk doen. Je zou er zuurstoftekort van krijgen als het niet zo aardig betaalde.

Met ‘baas’ kunnen we van modieuze importbegrippen als CEO of CFO af, en ze vervangen door Hoogste uitvoerende baas of Hoogste financiële baas. Als dat op iemands kaartje staat, weet je wie je voor je hebt, net als bij de Heer van Coucy.

En de kinderen zullen er blij mee zijn. Dat je vader of je moeder ergens baas van is, kun je aan je vriendjes uitleggen. Lid is niks.