Het Vlaams nationalisme van Bart De Wever zal verdampen - dankzij hemzelf

Bart De Wever ziet België graag verdampen. Maar slechts een fractie van de bevolking staat werkelijk separatisme voor. Het is denkbaar dat uitgerekend De Wever het land verder klaarstoomt voor de 21ste eeuw door voort te borduren op bestaande structuren.

Belgisch schrijver. In 2005 voor twee jaar benoemd tot stadsdichter van Gent. Auteur van onder meer ‘Mijn tweede huid’ (2000), ‘Alle dagen samen’ (2004), ‘Stadsgedichten 2005-2006’ (2007), ‘Godenslaap’ (2008), bekroond met de AKO Literatuurprijs 2009.

Wie dezer dagen de Belgische media volgt zou bijna menen dat de Belgen zich, in wanhoop om de lange politieke impasse, aan magische praktijken beginnen over te leveren. Oproepen tot de mannelijke bevolking de baard te laten staan zolang er geen regeringsakkoord is, werden gevolgd door aansporingen zich uit protest genitaal te scheren. Al dat gejongleer met de kwast en het mes duidt evenwel niet noodzakelijk op sarcastische onverschilligheid van de burger jegens de politieke toestand. De Belgen mogen dan wel bedenkingen hebben bij de huidige bestuurlijke structuren van hun vaderland, dat vaderland op zich wordt niet in twijfel getrokken.

Al decennia laten enquêtes zien dat zowel in het noorden als het zuiden slechts een fractie van de bevolking een werkelijk separatisme voorstaat. De hoge electorale vlucht van de partij van Bart De Wever heeft daar weinig aan veranderd. Vlamen en Walen zijn moeilijke minnaars van hun vaderland, maar wel degelijk minnaars. Met gloedvol patriottisme heeft het allemaal weinig te maken, men is nogal pragmatisch in de liefde. De Nieuw-Vlaamse Alliantie, de partij van De Wever, beseft ook dat de overgrote meerderheid van haar kiezers haar separatisme niet lust.

Misschien dat daarom die partij op zich ook een nogal eigenaardige vorm van pragmatisch Vlaams-nationalisme propageert – verteerbaar, of alleszins geruststellend voor haar in hoofdzaak gematigde kiezers. Partijkopstukken laten geregeld blijken dat uitingen van een romantisch nationalisme, met vlaggenparades, oproepen tot strijd en gezwollen retoriek, echt niet aan hen besteed zijn. Nee, Vlaanderen wint gewoon vanzelf aan gewicht en het nationale niveau verdampt mettertijd in de structuren van de Europese Unie. Volgens De Wever en co gaat het om een logisch, natuurlijk en onomkeerbaar proces. Overal in Europa is de tendens of vraag naar beleidsniveaus dichter bij de regionale economische groeipolen merkbaar. België zal dus gewoon overbodig worden. Kiezers die zich zorgen maken over het separatistische partijprogramma hoeven dus niet ongerust te zijn; een afscheidingsstrijd is niet nodig. Het probleem België lost zichzelf wel op. Ooit, in een niet nader omschreven toekomst.

Los van de kwestie of deze analyse steek houdt, dringt zich de vraag op waarom een ‘natuurlijk proces’ eigenlijk behoefte heeft aan een uitgesproken nationalistische ideologie. Naar de letter gelezen is de NVA dan een nationalistische partij wier bestaansrecht schuilt in haar eigen overbodigheid – tenzij haar rol erin zou bestaan te vermijden dat de Belgische structuren langer dan nodig dit ‘logische proces’ belemmeren. Al bij al lijkt het huidige Vlaams-nationalisme dus weinig meer dan een economisch regionalisme waarover een antieke leeuwenvlag is gedrapeerd, wellicht om die laatste ‘ouwe’ flaminganten electoraal te plezieren. De taalstrijd is grotendeels gevoerd, de ontvoogding van de Vlaming een feit. Het huidige flamingantisme rest dan slechts een rol als vroedvrouw bij natuurlijk geachte evoluties, waarbij de Belgische stiefmoeder alleen maar in de weg loopt. De vraag is of dat wel klopt.

Behalve een van de welvarendste regio’s ter wereld is Vlaanderen ook een van de kleinste. In het noorden vervlecht de bedrijvigheid van de havensteden zich met die rond Rotterdam. Stilaan ontstaat een van de grootste havenagglomeraties ter wereld. In het oosten sluit Limburg na een moeizamer loskomen uit de oude mijnbouw steeds sterker aan bij de opbloei van het Maas- en Rijnbekken, net als de Waalse provincies Luik en Luxemburg. In het zuiden is de economie van West-Vlaanderen nu al sterk vergroeid met die in Noord-Frankrijk, wat ook geldt voor de Franstalige provincie Henegouwen. En dan is er nog Brussel, de veelgeplaagde hoofdstad, maar niettemin goed voor ettelijke percentages in Vlaanderens voorspoed. Een splitsing van het land, wanneer ook, en met of zonder Brussel als Vlaams grondgebied, zal de nood aan samenwerking en overleg tussen de regio’s alleen maar doen toenemen.

Daarmee dringt zich de vraag op waarom we zouden moeten creëren wat we in wezen al hebben, of waarom we België eerst zouden moeten opdoeken om het vervolgens in een of andere vorm weer uit te vinden. Is, ten gronde, het Belgische beleidsniveau, weliswaar in horten en stoten en zeer zeker onvolkomen, niet al meerdere staatshervormingen lang bezig zich te plooien naar de noden van de regio’s? Verdampt België wel, of zoekt het zich moeizaam, niet zonder manco’s maar evenmin zonder resultaten, een weg naar een brugfunctie tussen de landsdelen? Zo ja, dan is de vijandigheid van het huidige Vlaams-nationalisme jegens dat Belgische niveau ronduit kortzichtig en onproductief, en paradoxaal genoeg ook vanuit hun eigen nationalisme.

Dat lijkt ook de mening van een aantal leidende figuren uit de Vlaamse economische wereld. Nadat de NVA een zoveelste onderhandelingsronde torpedeerde door onverwacht een voorstel tot splitsing van de werkloosheidsverzekering – en dus indirect van een deel van de sociale zekerheid – op tafel te leggen, spraken de voorzitters van een aantal belangengroepen van Vlaamse ondernemers en middenstanders duidelijke taal. Het verfijnen van de huidige beleidsinstrumenten voor de regio’s is wenselijk en noodzakelijk, maar splitsen is onzinnig. Aanpassen van de bestaande federale structuren is vaak stukken zinvoller. Scheiden, met andere woorden, doet toch vaak gewoon maar lijden.

Men wijst ook op de demografie, niet onterecht. Wallonië mag het dan moeilijker hebben om het teloorgaan van haar ooit florerende industrie te verwerken en haar economie te moderniseren, haar bevolking is wel jong. Vlaanderen vergrijst sneller dan Wallonië. Ook voor het aantrekken van arbeidskrachten en creativiteit zal een zelfstandig Vlaanderen zijn afhankelijkheid van de buurregio’s moeten bekennen. Anders zal een steeds oudere Vlaamse bevolking haar eigen vergrijzing moeten zien te bekostigen, en goedkoop zal die niet zijn. Voeg daaraan toe dat het investeringsklimaat in Vlaanderen lang niet zo gunstig is als in Wallonië. Al zijn de problemen in Franstalig België groot, de regio trekt nu al meer investeerders aan dan Vlaanderen, waar niet alleen buitenlandse ondernemers de toenemende regeldrift en bureaucratisering stilaan verstikkend vinden. Het is verre van ondenkbaar dat in de toekomst Wallonië economisch gesproken de evenknie van Vlaanderen wordt, of zelfs sterker. En ook daar beseft een jongere generatie politici steeds sterker dat een op de regio’s gericht beleid heilzaam kan zijn, maar dat overkoepelende nationale structuren daarin verre van overbodig zijn. Het Vlaams-nationalisme is dus niet zonder ironische kanten, al zal die ironie voor sommigen nogal bitter smaken. De Vlamingen hebben niet uit scheidingsdrift op De Wever gestemd, maar omdat hij zich presenteerde als de man die eindelijk de staat zou hervormen. Net als bij de vorige man van de grote beloften, Yves Leterme, valt dat dik tegen. De Vlaamse economische middens steunen De Wever dan weer zolang het hun doelstellingen ten goede komt, maar fluiten hem terug wanneer het de belangen dreigt te schaden. De financiële wereld dringt ook steeds luider aan op een akkoord. Je kunt niet eeuwig blijven uitbazuinen dat het ondanks alles toch wel heel goed gaat met het land in de hoop daarmee allerlei speculanten te ontmoedigen.

De Wever zal dus zeer binnenkort met ‘iets’ moeten komen. En als hij niet de handdoek in de ring gooit, zal dat iets naar oude gewoonte een compromis zijn: geen toonbeeld van elegantie, maar wel eerbaar en haalbaar. Dan zou de ironie in wezen totaal zijn. De man die België in de toekomst graag ziet verdampen, wordt dan de man die het land verder aanpast voor de eenentwintigste eeuw. Waarbij het enige wat weer een beetje verder verdampt, zijn eigen nationalisme is.