Geel zwart handig karaktervol

Een stuk bos bij Oosterbeek is een walhalla voor koolmezen. In ruil daarvoor zijn ze onderzoeksobject en geven ze hun persoonlijkheid prijs. Hester van Santen keek mee.

Woensdag, kwart over tien ’s morgens. Een koolmees zit op een houten paal. Hij is net het grijze kamertje ingevlogen vanuit zijn kooi en koos paal 5, in het midden.

De onderzoeker tekent aan op zijn formulier: ‘5’.

Het koolmeesmannetje wekt niet de indruk dat hij naar eten op zoek is. Zijn paal lijkt op een kapstok met vier roedes. Hij hipt wat van de ene roede naar de andere.

De onderzoeker zet een paar stippen op het papier, één voor elke verplaatsing.

Om de koolmees heen staan nog vier andere palen. Maar daar vliegt hij niet naartoe. Hij plukt wat in zijn veren.

De onderzoeker kijkt op zijn digitale eierwekker. Tien minuten voorbij.

De koolmees zit er nog steeds. Kees van Oers (39) zet een verticale streep op zijn papier en staat op. Einde experiment. Van Oers is een bioloog met sik en ruitjesbloes in een schemerig gebouw met tientallen koolmezen in het Gelderse dorp Heteren.

INWISSELBAAR

Als je ze ziet hangen aan een snoer pinda’s lijken alle koolmezen op elkaar. Geel, zwart, handig, inwisselbaar.

Maar Van Oers en de collega’s van zijn vakgroep zien een samenleving van koolmezen, in elke tuin en in elk bos. Waar alle vogels hun eigenaardigheden hebben. Waar er verre vliegers zijn en huismussen. Waar de buren elkaar proberen af te troeven met hun zang en daarbij rekening houden met ieders eigenaardigheden.

Van Oers staat in het koolmezenverblijf van het NIOO, het Nederlands instituut voor ecologie. Wat hij de afgelopen tien minuten heeft gedaan, is een psychologische test voor koolmezen.

Zulke testen doen hij en zijn collega’s sinds 1993. Ze ontdekten dat ze er een deel van het koolmeesleven mee kunnen voorspellen. Want de manier waarop een koolmees zich gedraagt in deze simpele test met de vijf palen, is óók bepalend voor zijn gedrag in het bos.

De koolmees die net is getest, is een typische langzame, legt Van Oers uit. Die vogel is behoedzaam, onwennig in nieuwe situaties. Zou je hem volgend jaar nog eens in het grijze kamertje loslaten, dan zal hij zich weer ongeveer zo gedragen.

En datzelfde geldt ook voor de ‘snelle’ koolmezen. In de karaktertest zijn dat de vogels die binnen een paar minuten alle vijf palen afgaan. Met andere woorden: ze zijn onderzoekend in een nieuwe omgeving. Ze zijn ook agressiever tegen hun buren. Maar dat maakt ze niet per se succesvoller. Van Oers: “Ze houden ook langer vast aan oude gewoontes. Als ze eenmaal ergens voedsel hebben gevonden, gaan ze er steeds naar terug.”

Het karakteronderzoek onthult tegenwoordig zelfs allerlei verborgen processen in een groep koolmezen. Zo ontdekte Eva Fucikova, die vrijdag 7 januari promoveerde, dat het broedsucces van koolmezen subtiel afhangt van het karakter van hun buren. Het ene jaar krijgen koolmezen met langzame buren iets meer jongen, het andere jaar zijn het juist de koolmezen met snelle buren. “Dat het effect per jaar verschilt, verwacht je ook”, zegt Van Oers. “Anders zou één van de twee persoonlijkheden verdwijnen.”

Dat niet alleen mensen maar ook individuele dieren een karakter hebben, is een vinding die biologen vooral de afgelopen 25 jaar uitgebreid hebben onderzocht. De dieren vertonen een typisch, eigen gedrag, dat levenslang blijft bestaan en stabiel is in allerlei situaties.

Al in de jaren dertig van de vorige eeuw zette de Amerikaan Calvin S. Hall ratten en muizen midden op een ronde tafel en keek hoe ze daarop reageerden: bleven ze in het midden of liepen ze naar de zijkant? Begonnen ze te poepen? Hall toonde aan dat de ene rat ‘angstig’ is en de andere ‘moedig’ en dat dat verschil erfelijk is. Sindsdien, en vooral de afgelopen decennia, bleek dat bij tientallen onderzochte diersoorten de individuen elk hun eigen temperament hebben, van schapen tot salamanders.

WOESTIJNSPINNEN

Zelfs bij grote, bruingrijze woestijnspinnen (met de naam Agelenopsis aperta) zijn er vreedzame exemplaren en echte agressievelingen. Die vallen sneller aan en hebben zelfs de neiging om een prooi wel te doden, maar niet op te eten. Agressieve vrouwtjes eten ook vaker hun mannetjes op.

In Nederland begon het NIOO (eerst samen met Wageningen) begin jaren negentig zulk karakteronderzoek te doen, met koolmezen. Piet Drent was het langst projectleider, al werkt hij nog wel mee. Nu is Van Oers dat, samen met hoogleraar Marc Naguib.

De bedoeling van het onderzoek is om te verklaren waardoor er bij koolmezen – en bij mens en dier in het algemeen – stabiele karakterverschillen bestaan. Hoe beïnvloeden de genen het karakter? En hoe beïnvloedt het karakter het leven van de dieren? Koolmezen zijn erg geschikt om die vragen te beantwoorden. Ze zijn gemakkelijk te huisvesten en te hanteren. Bovendien is het koolmeesleven een tombola met vele verliezers – minder dan 10 procent van de koolmeesjongen overleeft het eerste levensjaar. In het wild verraadt het succes van een koolmees zich allereerst door leven of dood – en verder door volle of lege nesten, grote of kleine territoria. Ieder jaar weer, met elke nieuwe generatie.

En dus heeft het NIOO een koolmezen-onderzoeksbos en een koolmezenverblijf. Dat laatste niet lang meer. Nog deze maand verhuist het hele instituut van het dorp bij Arnhem naar nieuwbouw in Wageningen.

In deze laatste weken hippen en piepen ongeveer 150 koolmezen nog in hun verblijf, achter lage roodbruine houten gebouwen. Het terrein doet denken aan een kampeerboerderij. Gelegen in de weilanden buiten het dorp, veel bomen. Regen en natte herfstbladeren.

Gisteren zijn acht nieuwe bewoners gehuisvest in het koolmezenverblijf. De ‘langzame’ koolmees die vanochtend meedeed aan de test met de vijf palen, is er één van. Daarvoor leefde hij in een gemengd bos bij Oosterbeek.

Dinsdagochtend, kwart voor tien. Piet de Goede (61) rijdt met zijn bestelwagentje een onverharde weg in. Hij is op weg naar het vaste terrein van de koolmeesonderzoekers: een deel van de Westerheide, 40 hectare groot.

Veldbioloog Piet de Goede komt hier elke week. Hij en zijn collega’s hebben de taak om alle koolmezen in het gebied te registreren, en dat lukt nagenoeg. In de lente, als de jongen geboren worden, gaan de biologen de nestkastjes langs. Ze tellen de jongen in het nest, nemen bloed af voor DNA-analyse en geven ze een pootring.

In de maanden erna komt De Goede regelmatig terug, met zijn net. Door de koolmezen te vangen – de vogels die hier geboren zijn én de immigranten – kunnen de biologen bij alle koolmezen een karaktertest afnemen.

VOEDERBAK

De Goede draagt een gerafelde groene jas, duidelijk gereserveerd voor buitenwerk. Hij steekt een greppel over en gaat zo’n dertig meter recht het bos in. Daar staat een groene voederbak. De grond is bezaaid met zonnebloempitten. Een vogel landt juist in een struik.

“We zorgen goed voor ze”, zegt De Goede. De Westerheide is een soort vakantiepark voor koolmezen. Het terrein telt acht van deze voederplaatsen. En als de bioloog erop wijst, zie je overal nestkastjes hangen. Meer dan driehonderd zijn er, ruim voldoende om alle koolmezen in het gebied onderdak te bieden. En, nu het winter is, leven ze van de pitten die de onderzoekers brengen.

In ruil daarvoor doen de mezen mee aan wetenschappelijke studie. De Goede rolt een soort volleybalnet uit. Palen in de grond, het zwarte net van vijf meter losjes gespannen. “Kijk, je ziet er niets van als je er recht op kijkt.”

Een half uur later is de bioloog terug. In het net hangt een steekproef van de lokale vogelbevolking, dertien vogeltjes in totaal, verstrikt in de draden. Een boomklever, een zwarte mees, pimpelmezen en vooral koolmezen. De meeste bewegen niet. “Na een tijdje geven ze het op om los te komen”, zegt De Goede.

Wonderlijk snel, met koude handen, bevrijdt de onderzoeker een pimpelmeesje. Soms blijft een veer achter de mazen hangen, maar na wat gladstrijken oogt het tere beestje weer ongeschonden. “Eerst de pootjes, en dan werk je langzaam naar voren. De vleugeltjes. En dan de kop.” Met een hoge piep vliegt de pimpelmees weg. Al sinds de jaren zeventig doet Piet de Goede veldwerk met vogeltjes. “En al die tijd is er bij het vangen nog nooit een doodgegaan.”

Elke volwassen koolmees uit de Westerheide zal, als het goed is, minstens één keer in zijn leven een nacht bij het NIOO logeren. Nadat de koolmezen getest zijn in de kamer met de vijf palen, gaan de mezen weer terug, het bos in. Onderzoekers als Eva Fucikova kunnen dan aan de slag om diezelfde dieren in het veld te onderzoeken. Wie was die vogel die zoveel jongen heeft gekregen? Is dat een snelle of een langzame? En welk karakter hebben de vogels in de omliggende territoria?

Sinds twee jaar werken de koolmeesonderzoekers ook met zenders, niet groter dan een knoopcel. De koolmezen krijgen ze om met twee elastiekjes, als een rugzakje. Zo ontdekte hoogleraar Marc Naguib, specialist in zenderonderzoek, dat mannetjes een buurman sterker uitdagen als die buurman ‘langzaam’ is. Ze komen dan dichterbij om te zingen.

ZITSTOKKEN

En dan is er in Heteren nog een tweede groep koolmezen: vogeltjes die permanent in gevangenschap leven. Kalm zitten de meeste koolmezen op hun zitstokken. Jaar na jaar blijven ze hier, de oudste is tien. Van Oers doet de deur open waar ze zit. Ik verwacht een stil, rimpelig vogeltje. Integendeel: ze oogt kwiek. Van Oers wijst naar haar kopje. “Het enige waaraan je kan zien dat ze zo oud is, zijn een paar grijze veertjes achter de ogen.” Deze vaste gasten zijn het resultaat van een kruisingsprogramma waarmee steeds snellere en langzamere koolmezen gekweekt werden.

Inmiddels zijn de selectielijnen ingeteeld. Van Oers wil nieuwe maken, om verder te zoeken naar de genen die invloed hebben op het karakter. Een lastig project – zie hoeveel moeite het bij de mens kost om de genetische achtergrond van, zeg, een complexe ziekte als schizofrenie uit te pluizen. “Dat is geen reden om er niet aan te beginnen”, vindt Kees van Oers. Het NIOO doet mee in een internationaal team dat het hele genoom van de koolmees in kaart gaat brengen.

KERSTBALLEN

Dinsdagochtend, half twaalf. Op twee plaatsen in het bos heeft De Goede koolmezen gevangen. Acht mezen blijken nog nooit getest (geen witte pootring) en gaan mee naar Heteren. Hij bewaart de nieuwkomers in twee houten kisten. Als kerstballen zitten ze elk in hun eigen vakje met wat stro.

Uit de achterbak van de auto haalt De Goede een opschrijfboekje, een liniaal, een bakje met pootringetjes, een veer-unster. Een vrouwtjesmees – te herkennen aan haar smalle zwarte ‘stropdas’ – gaat in een plastic zakje. “Dit ziet er niet prettig uit”, waarschuwt de onderzoeker. Haast vacuümverpakt hangt het vogeltje aan de unster. 17,8 gram – niet zwaarder dan een brief. Ze mag er weer uit. De Goede meet een slagpen en een pootje. Vrouwtjes stribbelen minder hard tegen dan mannetjes, zegt hij.

De volgende dag, in het lab, blijkt deze vogel ongekend snel. In één minuut heeft ze al vier van de vijf palen bezocht. Intussen heeft ze nog tijd gevonden om de muren van de kamer te verkennen. “Score: negen van tien”, telt Kees van Oers.

Na bijna twintig jaar koolmeesonderzoek kan Van Oers van alles voorspellen over snelle vogels als dit vrouwtje. Dat ze, als ze een nest bouwt met een andere hele snelle vogel, net iets vaker vreemd zal gaan. Dat haar jongen, als ze overleven, gemiddeld wat verder van het ouderlijk nest zullen broeden dan die van langzame soortgenoten.

En keer op keer blijkt bij het persoonlijkheidsonderzoek dat er, behalve karakter, nog talloze andere factoren zijn die het leven van een koolmees bepalen. De onderzoeksresultaten zijn vaker complex dan glashelder. Zoals in de studie van Fucikova. Zullen het ene jaar de snelle dieren meer jongen krijgen, het volgende jaar winnen de langzame dieren weer. Misschien hangen de jaarlijkse verschillen af van de hoeveelheid voedsel, de winterkou, het aantal vogels in de kolonie – en dat zijn dan alleen nog de zaken die te meten zijn. Lastig? Van Oers: “Ik kan hier nog even mee vooruit.”