Gebrek aan geestdrift

Toen premier Rutte nog staatssecretaris voor Onderwijs was, nu circa vijf jaar geleden, was het zijn ambitie dat op korte termijn 50 procent van de jeugd een opleiding in het hoger of universitair onderwijs zou gaan volgen. En die studie ook afmaakt. Want in een moderne, innovatieve maatschappij komt de helft van de nieuwe banen terecht bij hoger opgeleide burgers.

Die ‘Begeisterung’, zoals Rutte het toen noemde, mist zijn opvolger Zijlstra. Ook de huidige staatssecretaris onderschrijft de doelstellingen. Het is immers economisch noodzakelijk dat de beroepsbevolking snel significant hoger opgeleid zal zijn. Maar die ambitie klinkt niet door in de bezuinigingen die hij tot 2015 wil realiseren. Zijn lapidaire mededeling deze week in de Tweede Kamer, dat het onderwijs de kortingen kan opvangen door eigen vermogen aan te spreken, was daarvan een voorbeeld.

Anders dan Rutte indertijd heeft Zijlstra daarom geen rapport met instellingen en studenten, die afgelopen week samen tegen het kabinetsbeleid optrokken. Dat gebeurt niet vaak.

Dat protest was niet altijd een toonbeeld van verhevenheid en soms infantiel en hysterisch. Dat hoort erbij. Het geweld na de betoging gisteren op het Malieveld uiteraard niet. Daarvoor is geen excuus.

Maar desondanks moeten kabinet en staatssecretaris ook bij zichzelf te rade gaan. Willen ze vooral macht etaleren of mogen anderen ook nog meedenken over alternatieven?

Sommige plannen zijn in de kern niet dwaas. Het is onrechtvaardig dat de eeuwige student evenveel collegegeld betaalt als de student die wel op schema is. Het huidige beurzenstelsel is ook niet vol te houden. Variabel collegegeld ligt voor de hand, net als een sociaal leenstelsel. Als brede groepen in groten getale hoger of academisch onderwijs kunnen genieten, dan gaan er onherroepelijk privileges uit het verleden verloren.

Maar bij de uitvoering van die plannen gaat om details en perspectieven. Daarover is niet goed nagedacht. Het dubbele boetesysteem kan instellingen provoceren om hun eisen te verlagen, daar waar juist hogere studienormen voor betere kwalificaties nodig zijn. En het onderscheid in de studiefinanciering tussen de bachelor- en de masterfase zou, zoals in Amerika is gebleken na de kredietcrisis van 2008, ertoe kunnen leiden dat minder studenten tot het hoogst haalbare niveau doorstuderen.

Het is natuurlijk niet zeker. Maar boekhoudkundig gedreven beleid pakt nogal eens averechts uit. Het gevolg kan zijn dat Nederland zo verder wegzakt in de mondiale rangorde. Dat risico is onaanvaardbaar hoog. En dat kan niet de bedoeling zijn van een kabinet met een premier die van Begeisterung houdt.