De positivo's

Robbert Dijkgraaf

Het was alsof de weergoden een geopolitiek punt wilden maken. Terwijl dezer Kerstdagen het Westen gebukt ging onder zware sneeuwstormen, met dramatische toestanden op de vliegvelden van Europa en de Amerikaanse Oostkust, scheen de zon onbekommerd over China, waar ik en famille een aantal universiteiten en conferenties bezocht. Van Peking tot Hongkong was het verrassend zacht winterweer en ook boven de wetenschap leek een zonnig hogedrukgebied te hangen.

Azië is op dit moment het continent van de hoop. Als we alles bij elkaar optellen gaat het eigenlijk best goed met de wereld, zowel economisch als wetenschappelijk, maar de groei vindt bijna exclusief plaats in opkomende landen als China en India. Van het westelijk front geen nieuws, althans weinig positiefs. En waar in Amerika de slechte financiële cijfers nog worden gecompenseerd door een onverslaanbaar optimisme, zit Europa in een dubbele dip. Hoofd én hart verkeren in mineur, dat maken de bezuinigingen en demonstraties wel duidelijk.

De huidige opkomst van Azië is niet zozeer het gevolg van een slingerbeweging van de geschiedenis, als wel een terugkeer naar een eeuwenlange trend. Van het Romeinse Rijk tot het begin van de negentiende eeuw, toen in Europa de industriële revolutie begon, waren de economieën van zowel China als India (gemeten naar percentage van het mondiale bruto product) aanzienlijk groter dan die van West-Europa – beide ruwweg goed voor een kwart van de wereldproductie. Dat de omvang van deze giganten in de vorige eeuw terugviel tot slechts enkele procenten hiervan, lijkt slechts een historische anomalie.

Maar op school en in de media blijft China een witte vlek. In de klas kreeg ik niet te horen dat er ten tijde van Augustus nog een ander groot keizerrijk was. Wie weet meer dan drie Chinese steden te noemen, laat staan ze op de kaart aan te wijzen? En wie kent de naam van één Chinese provincie? Toch kent Guangdong meer inwoners dan Duitsland. Nu hebben ook Chinezen wel eens moeite met hun eigen topografie. Tijdens een diner haalde een grote projectontwikkelaar uit Hongkong (tevens een bevlogen mecenas van de wiskunde) een briefje uit zijn binnenzak met de vijftig grootste Chinese steden. Hij had deze belangrijke informatie ook zo snel niet paraat.

Wat China betreft is het altijd lastig tussen de clichés te laveren – van geel gevaar tot economisch monster. Het lijkt moeilijk voor te stellen dat zo’n reusachtig land in eerste instantie genoeg aan zichzelf heeft. Maar de zorg over 1,3 miljard burgers en de enorme problemen rond mensenrechten, milieu, energie en water houden de Chinese leiders intens bezig. En vanwege de wet van de grote getallen geldt soms: wat goed is voor China, is goed voor de wereld. Zo is de éénkindpolitiek een groot offer geweest om greep te krijgen op de overbevolking. Ook het huidige Chinese beleid om grootschalige ‘groene’ technologie te ontwikkelen en in te voeren, wordt door interne problematiek voortgedreven maar heeft een wereldwijde impact. Hetzelfde zou wel eens voor de wetenschap op kunnen gaan.

Een aspect dat bij deze reis nadrukkelijk naar voren kwam, is de groei van het fundamentele onderzoek. Er is op dit moment duidelijk meer aandacht voor ‘nutteloze’ vakken als wiskunde. Chinese universiteiten starten nieuwe instituten en weten met competitieve aanbiedingen uitstekende onderzoekers aan zich te verbinden. Deze groei is onderdeel van een bredere beweging. China heeft de ambitie om in 2020 een land van talenten te zijn. Zoals een van mijn gastheren zei: als men de investering in de Olympische Zomerspelen zou herhalen, maar nu gericht op onderwijs en wetenschap, dan is het land klaar voor de komende honderd jaar. Wie weet wordt deze suggestie ook nog uitgevoerd.

De diepe wortels van de wetenschap in China en de kracht waarmee deze plant door het puin van de geschiedenis heen weet te groeien, worden mooi geïllustreerd door de persoon van Shiing-Shen Chern, zonder meer de invloedrijkste Chinese wiskundige van de twintigste eeuw en een man die met zijn wijsheid, humor en poëzie (het is niet ongebruikelijk in China de wetenschap in verzen te bezingen) vele generaties heeft geïnspireerd.

Chern werd geboren in 1911, studeerde aan de universiteiten van Nankai en Tsinghua, en reisde in de jaren dertig uitgebreid rond in Europa en de Verenigde Staten. Toen hij in 1937 werd benoemd als hoogleraar aan de Tsinghua Universiteit, werd hij hardhandig met de loop van de geschiedenis geconfronteerd. Japan viel China binnen en Cherns universiteit werd in haar geheel naar het zuiden verhuisd. In totaal isolement en onder de moeilijkste omstandigheden zette hij zijn onderzoek naar de fundamenten van de meetkunde voort. In 1943 lukte het hem via India, Afrika en Brazilië naar Princeton te vluchten, een oase van rust in een wereld in brand. Na de oorlog keerde Chern terug naar zijn moederland. Maar nu overviel hem de revolutie en in 1949 emigreerde hij naar Amerika. Pas in de jaren tachtig keerde het tij en kon Chern aan de wieg van de herboren wiskunde in China staan. Een dramatisch hoogtepunt was het moment dat de 91-jarige Chern in 2002 in de Grote Hal van het Volk in Peking het wereldcongres van wiskundigen verwelkomde. Na een lange tocht was de wiskunde weer thuis in China.

Mijn bezoek was dit keer nog interessanter dan anders, omdat ik drie jonge spionnen had meegenomen. Weest u gerust, ze hadden allemaal keurig een visum aangevraagd. Voor onze kinderen was deze reis hun eerste ontmoeting met China. Een nuttige ervaring, want zij zullen nog directer dan u of ik met de ontwikkelingen daar worden geconfronteerd.

Ze wisten ook behendig hun eigen bronnen aan te boren. Terwijl hun ouders aan de officiële tafel via een tolk behoedzaam met de provinciale leiders converseerden, hadden zij minstens zo leerzame gesprekken (inclusief naambordjes) met de kinderen van het partijkader – in het Engels, want die kinderen bleken allemaal in Australië of de Verenigde Staten te studeren. Ook de studenten die onze kinderen rondleidden, bleken uitstekende informatiebronnen. De enorme verwachtingen van een eerstejaarsstudent die een grote wiskundecompetitie had gewonnen met meer dan tweehonderdduizend deelnemers, de ervaringen van een jonge docent net terug uit de Verenigde Staten, de gevoelige vragen die niet beantwoord werden – het was allemaal ruw materiaal voor hun eigen analyse.

Hun commentaar toen ze een Nederlander ter plekke de toekomst van de wetenschap in China hoorden relativeren, luidde dan ook: “Helemaal begrijpen doet hij het niet.”

Met alle bedenkingen en problemen is de grote toekomstverwachting en de inzet waarmee die wordt vormgegeven in China bijna tastbaar. Zoals iemand zei, nadat ik over deze reis had verteld: “Word je nou niet moe van al die positieve mensen?”

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.