De grote babyroof van Franco generalissimo

Spanje is in de ban van een historische babyroof. Onder dictator Franco werden kinderen gestolen en illegaal geadopteerd door de heersende klasse. Donderdag dienen 300 families gezamenlijk een aanklacht in.

** TO MATCH STORY SLUGGED SPAIN-FRANCO ANNIVERSARY ** General Francisco Franco speaks to naval forces at Vinaroz, Spain, on July 26, 1938, en route to the front to supervise the drive against the Republican Army at Valencia. This Sunday, Nov. 20 sees the 30th anniversary of the death of Gen. Francisco Franco, the man who rebelled against Spain's young republic in 1936, starting a civil war which ushered in his nearly 40-year rule, iron-fisted and often brutal. Two days later comes the 30th anniversary of the proclamation as king of Spain of Juan Carlos, the person who, although hand-picked as Franco's successor, has played the most important role in the country's transition to democracy and is seen as the single most important unifying factor in Spain. (AP Photo/AP Photo) ASSOCIATED PRESS

In 1970 was Maria Vázquez in verwachting. Een nakomertje. De Spaanse was veertig en ze had al twee dochters. Het werd een zware bevalling, waarbij de moeder het bewustzijn verloor. Acht dagen later kwam ze weer bij en hoorde ze van de nonnen in het ziekenhuis dat haar baby, een dochtertje, was overleden.

Een tante en een nicht die bij de bevalling aanwezig waren, hadden het overleden kindje gezien. Haar man was op dat moment in Zwitserland, daar werkte hij in de bouw als gastarbeider. Toen hij een dag later in het ziekenhuis kwam, vertelden ze hem dat het kind al begraven was. ‘Ze ligt in het graf van een rijke heer’, zeiden de nonnen. „Zo snel, dat kan toch haast niet?”, zegt Maria Vázquez nu.

Maria Vázquez is tachtig en grootmoeder van vier kleinkinderen. Zittend in een leunstoel bij het raam van haar kleine appartement in de Zuid-Spaanse badplaats Estepona, werkt ze aan een haakstukje. Haar oudste dochter Isabel Agüera zit bij haar, de eettafel ligt bezaaid met documenten die het verhaal van haar moeder moeten ondersteunen.

Ze vertellen over de twijfels die Maria Vázquez een kwart eeuw koesterde. Sinds die bevalling is ze zichzelf blijven afvragen of haar dochtertje wel echt gestorven is. „Ik wilde niet voor gek versleten worden door mijn familie”, zegt ze nu. „Ik ben maar een simpele vrouw, ik kan niet lezen, ik kan niet schrijven.”

Na het overlijden van haar man in 1988 sprak ze er voor het eerst over met haar dochters. Hoe vreemd het haar nog steeds voorkwam wat destijds in het ziekenhuis was gebeurd. De tante en de nicht mochten het lichaampje maar heel kort zien in het mortuarium. „En het was bijna geheel in dekens gewikkeld”, zegt dochter Isabel Agüera.

Het bleef een merkwaardig verhaal. Tot Agüera in 2009 net zo’n verhaal hoorde, van iemand die in de buurt van Cádiz woonde. Die zomer brachten de media meer van dergelijke verhalen. En in het najaar van 2009 kwam Juan Luis Moreno naar buiten met de geschiedenis van zijn afkomst. Zijn doodzieke vader had hem bij zich geroepen voor een bekentenis. Hij had hem in 1969 gekocht van een priester en een non in Zaragoza, zei hij. Hij had 150.000 peseta’s voor het kind betaald. Een bevriend echtpaar, zei de stervende man, had via dezelfde weg een zoon gekocht; dat was Moreno’s jeugdvriend Antonio Barroso.

Beide mannen vermoedden als kind al dat hun ouders hun ouders niet waren, vertelt Antonio Barroso door de telefoon vanuit Barcelona. „Als we op school gepest werden, noemden ze ons ‘adoptiekinderen’. Waarschijnlijk praatten onze klasgenootjes hun ouders na, die wisten dat onze moeders nooit zwanger waren geweest.” Na de bekentenis van Moreno’s vader vergeleken beide mannen hun DNA met dat van hun moeders. Toen bleek dat ze allebei gestolen kinderen moesten zijn.

Babyroof

Sinds deze bekentenissen is Spanje in de ban van los niños robados. Honderden vrouwen uitten vorig jaar het vermoeden dat ze slachtoffer zijn geweest van babyroof. Onderzoek van ouders en kinderen, van journalisten en slachtofferverenigingen heeft een praktijk blootgelegd die begon in de jaren dertig van de vorige eeuw en doorliep tot in de jaren zeventig, de jaren dat generalissimo Francisco Franco de absolute macht had in Spanje. En volgens sommigen is de roof ook na diens dood, in 1975, nog jaren doorgegaan.

De babyroof is terug te voeren tot de Spaanse Burgeroorlog, die uitbrak in de zomer van 1936. In de lente van dat jaar had het antifascistische en marxistische Volksfront de verkiezingen gewonnen. Die zege leidde tot politieke spanningen. Conservatief Spanje, vaak welvarend, nationalistisch, koningsgezind en katholiek, vreesde het revolutionaire elan van de linkse regering.

Na maanden van toespelingen op een militaire staatsgreep en escalatie, kwamen conservatieve elementen binnen het leger op 17 juli 1936 in opstand. Tijdens de hier op volgende drie jaar Burgeroorlog tussen nationalisten (rechts) en de Republikeinen (links) verwierf generaal Franco het onbetwist leiderschap van de fascistische Falange-beweging. Een machtspositie die hij na de oorlog benutte om het land bijna vier decennia lang in een autoritaire greep te nemen.

De babyroof komt voort uit dit conflict tussen links en rechts Spanje, vertelt Emilio Silva. Hij leidt in Madrid de invloedrijke Vereniging voor het Herstel van het Historisch Geheugen (ARMH). De vereniging dringt aan op onderzoek naar en vervolging van misdaden tegen de menselijkheid begaan tijdens het Francoregime. . Silva: „De ideologische rechtvaardiging voor de babyroof is tijdens de oorlog opgesteld door de franquistische legerarts Antonio Valleja Najera.” Hij zette een psychologisch onderzoek op onder de Republikeinse krijgsgevangenen die door Franco’s troepen werden vastgehouden in kampen. „Geïnspireerd door de eugenetica van de nazi’s, ontwikkelde Valleja de theorie dat het marxisme een genetisch bepaalde geestesziekte was.”

In oktober 1938, enkele maanden voor het einde van de oorlog, beschreef Valleja zijn ideeën in het medische tijdschrift Semana Medica Española. De kop boven het artikel luidde: ‘De psyche van het marxistisch fanatisme’. Volgens Valleja bestond er een ‘marxistisch gen’. Het Spaanse ‘ras’ zou hiervan gezuiverd kunnen worden door de baby’s van Republikeinse krijgsgevangenen onder te brengen bij ‘gegoede’ families.

Na de oorlog ging de zuivering door. Iedereen die aan de kant van de verliezers had gestaan, liep het risico vervolgd te worden. Zodoende belandden ook in de jaren veertig en vijftig nog Republikeinse vrouwen zwanger in de cel. Per decreet bepaalde Franco dat hun kinderen hen ontnomen konden worden, „ter bescherming van de minderjarige”.

In de tweede helft van de eeuw droogde de stroom te beroven krijgsgevangenen echter op, omdat Republikeinse vrouwen niet langer de vruchtbare leeftijd hadden. De illegale adopties waren voor de betrokken geestelijken en artsen ondertussen echter een uiterst winstgevende praktijk gebleken, die ze niet graag opgaven. Waar de babyroof was ontstaan als ideologisch zuiveringsproject, werd ze vanaf eind jaren vijftig met economische motieven voortgezet.

Silva: „Om baby’s te blijven roven en deze in ruil voor geld of politieke gunsten weg te geven aan adoptiefamilies, werd nu gezocht naar andere slachtoffers. Vrouwen uit de laagste klassen, alleenstaande moeders, prostituees.”

Plaatsen delict waren de ziekenhuizen waar de katholieke Kerk de baas was, een belangrijke steunpilaar van het regime. Kwetsbare vrouwen werden overgehaald hun kind af te staan voor adoptie. Anderen werd wijsgemaakt dat hun kindje na de bevalling was overleden. Als ze al een lijkje te zien kregen, was dit een ingevroren exemplaar dat speciaal hiervoor in het mortuarium werd bewaard.

Honderden beroofde ouders hebben – vaak met hulp van jongere familieleden – inmiddels onderzoek gedaan in medische archieven, civiele registers en op begraafplaatsen. Op zoek naar bewijzen dat hun dood verklaarde kind nog leeft. Vaak stuitten ze daarbij op onregelmatigheden die volgens hen geen bureaucratische slordigheden meer zijn, maar duiden op een rookgordijn. Opgetrokken om een wijdverbreide illegale handel in adoptiekinderen te verdoezelen.

Het zijn decennia later lastig te bewijzen verdenkingen. De roof was werk van individuele geestelijken, artsen en verplegers. Al moeten zij bij het vervalsen van documenten haast wel geholpen zijn door gezagsdragers, de praktijk was niet centraal georganiseerd of vastgelegd in regeringsbeleid. Andere complicatie is dat, volgens slachtofferorganisaties, ook baby’s in het buitenland terechtgekomen zijn. Voornamelijk in Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en mogelijk ook in Nederland.

Om al deze redenen zal nooit exact te achterhalen zijn hoeveel kinderen op deze wijze illegaal geadopteerd zijn. De prominente onderzoeksrechter Baltasar Garzón kwam begin 2009 op een aantal van ruim 30.000 kinderen in de periode tussen het uitbreken van de Burgeroorlog en midden jaren vijftig. Advocaat Enrique Vila, zelf een legaal geadopteerd kind, denkt dat de daaropvolgende decennia nog eens enkele tienduizenden kinderen gestolen zijn en komt doorrekenend uit op een getal van 200.000 tot 300.000, vertelt hij vanuit Valencia.

De enige manier om tot een betrouwbaarder cijfer te komen, zegt Vila, zou zijn om alle Spanjaarden hun DNA-materiaal af te nemen en te vergelijken. „Maar dat zie ik niet gebeuren.” Volgens de advocaat is de babyroof geëindigd toen midden jaren negentig veel strengere adoptieregelgeving van kracht werd. „Maar we kennen zeer dubieuze gevallen uit de jaren tachtig en ook van begin jaren negentig.”

Overlijdensakte

Na het verschijnen van de eerste verhalen over babyroof, besloot Isabel Agüera eind 2009 de vermoedens van haar moeder Maria Vázquez serieus te gaan onderzoeken. Ze vroeg de medische gegevens op bij het ziekenhuis in Málaga waar haar moeder veertig jaar geleden lag. Ze legt de documenten op tafel. Het ziekenhuis beschikte over twee medische rapporten over de bevalling van Maria Vazquez, allebei opgesteld door de toenmalige vroedvrouw van de kraamafdeling. In het ene rapport staat dat het kindje overleed na „het losbreken van de placenta”. In het andere is de doodsoorzaak „het openscheuren van het litteken van de keizersnede”, dat Vázquez had overgehouden aan de geboorte van haar tweede kind. Deze tweede verklaring werd twee weken na de bevalling getekend.

In de burgerlijke stand van Málaga kon Isabel Agüera geen overlijdensakte van haar zusje vinden. Volgens het register van de begraafplaats waar het ziekenhuis het lijkje naar toe zou hebben gebracht, is rond de bewuste datum geen baby begraven. En er was ook geen ‘rijke heer’ ter aarde besteld.

Agüera deed vorig jaar namens haar moeder aangifte bij de provinciale aanklager in Málaga. Die opende een vooronderzoek. Tot op heden hebben in Spanje alleen in het zuidelijke Andalusië aanklagers (naast Málaga ook die in Algeciras en Cádiz) dit gedaan.

In andere regio’s stelt justitie zich veel minder behulpzaam op. Zo deed Antonio Barroso, in een poging zijn biologische ouders te achterhalen en de daders te vinden, verscheidene malen aangifte in zijn geboorteregio Zaragoza. Maar zijn verzoeken werden, net als die van tientallen mogelijke slachtoffers in andere delen van Spanje, steeds afgewezen.

Ook op nationaal niveau pikt justitie de zaak niet op. Een collectieve aangifte die het Platform voor Gestolen kinderen, een landelijke slachtofferorganisatie, vorig jaar indiende bij het nationale gerechtshof in Madrid, werd in december afgewezen. De hoofdaanklager zei niet bevoegd te zijn dit type zaken te onderzoeken. Hij adviseerde de families om zich tot de regering te wenden, en die te vragen om een onderzoekscommissie. Dat deden ze in januari. Maar geen enkel lid van de regering heeft zich tot nog toe openlijk over de babyroof uitgelaten.

De argumenten waarmee justitie de aangiftes afwijst, zijn „de grootst mogelijke onzin”, zegt Barroso. „Het gaat hier om georganiseerde misdaad. Om systematische vrijheidsberoving. Zo’n misdrijf kan niet verjaren.” Komende donderdag zal Barroso met zijn eigen landelijke vereniging Anadir namens circa driehonderd families een nieuwe collectieve aangifte indienen. Ditmaal bij de procureur-generaal in Madrid.

Breuklijnen

Het schandaal legt in Spanje oude politieke breuklijnen bloot tussen het kamp van de verliezers en de winnaars van de Burgeroorlog. Tussen hen die tijdens de daaropvolgende dictatuur de onderliggende dan wel de dominante klasse vormden.

Deze verdeeldheid heeft zich ook diep ingevreten in de rechterlijke macht. Dit is een gevolg van de wijze waarop Spanje eind jaren zeventig een democratie werd. Links en rechts kwamen stilzwijgend overeen het bloedige en repressieve verleden te laten rusten. Er werd een amnestieregeling voor politieke misdrijven ingevoerd. Onder Franco benoemde rechters mochten blijven zitten. Nieuwe rechters zouden voortaan benoemd worden door een commissie waarin links en rechts evenveel gewicht hebben.

Dat links destijds afzag van een bijltjesdag, was cruciaal voor een succesvolle overgang naar democratie. Maar dat ‘pact’ bleek uiteindelijk vooral gebaseerd op vergeten en verzwijgen. Niet op vergeving of verzoening.

Rond de eeuwwisseling brak het pact. Aanleiding hiervoor vormde het besluit van nabestaanden van Republikeinse slachtoffers om hun gefusilleerde familieleden op te graven uit de massagraven waarmee Spanje bezaaid ligt. Ook eisten ze verwijdering van openbare verwijzingen naar het Francoregime, zoals straatnamen, standbeelden of muurplakkaten.

Burgers raakten massaal geïnteresseerd in hun geschiedenis. Boekhandels lagen ineens vol met historische werken over de Burgeroorlog en de Francotijd, vaak geschreven vanuit Republikeins of juist vanuit nationalistisch perspectief. Over de zo lang verzwegen geschiedenis werd nu ineens alle openbaarheid gedebatteerd.

Er is in Spanje niemand die het stelen van kinderen goedpraat. Maar bij het zoeken van gerechtelijke steun stuiten de slachtoffers van de babyroof wel op het feit dat de rechtspraak zo gepolitiseerd is. Het leidt ook tot discussie tussen verschillende groepen slachtoffers. Zo leggen sommigen de nadruk op de economische motieven van de daders. Maar volgens anderen depolitiseren ze de praktijk hiermee, mogelijk om meer kans te maken bij justitie.

Antonio Barroso van Anadir behoort tot het eerste kamp. Volgens hem had de babyroof „de laatste decennia niets met het Francoregime te maken. Het is een misdaad die puur uit economische motieven werd gepleegd.” Ook Isabel Agüera, wier zusje geroofd zou zijn, ziet dat zo. „Onze familie was niet politiek geëngageerd.”

Activist Emilio Silva daarentegen vindt dat het ideologische oogmerk niet „weggezuiverd” mag worden. „In alle zaken is één continue lijn te ontdekken, en dat is de sociale klasse waar de slachtoffers uit komen. Ze kwamen uit lagere klassen, de klassen die na de Burgeroorlog de overwonnenen waren. Vrouwen van bankiers, markiezinnen of hertoginnen werden geen slachtoffer.”

Tot nu toe is er geen enkel geroofd kind dat zijn biologische ouders heeft teruggevonden. Een persoon wacht op de uitslag van een DNA-test, die over enkele dagen uitsluitsel moet geven. Barroso roept iedereen die twijfels heeft over zijn ouders op onderzoek te doen en DNA-materiaal af te staan aan een nog op te richten genetische databank. „Vooral als je enig kind bent, van ouders die ver in de dertig of veertig waren toen ze je kregen, moet je wantrouwig zijn.”

Maar de tijd begint te dringen. De tachtigjarige Maria Vázquez uit Estepona is door haar zwakke gezondheid aan huis gekluisterd. Ze vult haar dagen met het maken van haakwerkjes in haar leunstoel bij het raam. Ze hoopt dat de inspanningen van dochter Isabel zullen leiden tot een tijdige hereniging met haar dood gewaande, derde kind. Hoe stelt zij zich dat voor? „Ik zou zeggen dat ik haar liefheb. Niet zoals ik van de twee dochters houd die ik altijd in mijn leven heb gehad. Maar ik zal zeggen dat ik haar in die veertig jaar nooit vergeten ben.”