De grenzeloze populariteit van kenniswerkers

Veel Europese landen gaan voor ‘doorsnee-migranten’ op slot. Maar voor toptalenten uit de Derde Wereld zetten ze de deur graag open. „Als je voor kenniswerkers je grenzen sluit, dan verlies je het.”

Zo onwelkom als de laag geschoolde immigrant op het ogenblik is in de meeste Europese landen, zo geliefd blijft zijn hoog geschoolde collega. Ook die van buiten de Europese Unie, ondanks alle retoriek over de noodzaak de grenzen te sluiten.

Getalenteerde technici en wetenschappers uit India, Brazilië of Nigeria, en natuurlijk ook uit de Verenigde Staten of andere ontwikkelde landen kunnen immers welkome impulsen geven aan de kennissector in het gastland. En welke regering berooft zich moedwillig van zulke kwaliteitsmigranten?

„Veel regeringen hebben hun toelatingsbeleid voor hoog geschoolde arbeidskrachten de afgelopen vijf tot tien jaar juist versoepeld”, zegt Georges Lemaître, migratiespecialist van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs.

Duitsland deed dat bijvoorbeeld in 2009, Denemarken een jaar eerder, en Nederland verruimde zijn regeling al in 2004. Kostte het werkgevers tot dan al gauw vijf maanden om een kracht van buiten de EU in Nederland aan het werk te krijgen, sindsdien kon dat binnen een maand geregeld zijn.

Om grote aantallen gaat het niet. Van januari tot en met november vorig jaar ging het bij voorbeeld om 5.450 mensen. Niet louter mensen in de high tech-sector of werknemers van multinationals als Shell of Philips overigens, ook mensen die voor een culturele instelling werken kunnen van de regeling gebruik maken.

Ook het huidige Nederlandse kabinet houdt de deur nadrukkelijk open voor kennismigranten van buiten de EU. Dit ondanks gedoogpartner PVV, die graag had gezien dat kennismigranten uit islamitische landen de voet zou zijn dwars gezet. Bovendien wilde die partij een bepaald onderwijsniveau verplicht stellen. Ook dat is niet gebeurd. In Nederland geldt alleen een salariseis van minimaal 50.000 euro.

De kennismigranten worden voor veel bedrijven alleen maar belangrijker. Ook voor een multinational als Philips. Het elektronicabedrijf haalt elk jaar zo’n 300 specialisten naar Nederland, vooral voor researchwerk. Onder hen ook tientallen mensen van buiten de EU. Het gaat bijvoorbeeld om Indiase ontwerpers van nieuwe software voor medische apparatuur, maar ook om Chinese ingenieurs, die komen werken bij Philips Lighting. Deels reageren zij zelf op vacatures op de Philips-website, maar soms zet Philips ook doelgericht eigen rekruteringsmensen aan het werk. „De markt voor kenniswerkers groeit wereldwijd”, constateert Philips woordvoerder Eric Drent. „Ze zijn onmisbaar voor ons.”

De Braziliaanse ingenieur Julio Oliveira Filho (33) koos bewust voor een baan in de Nederlandse hightech-sector op de afdeling akoestiek van TNO. Daar doet hij onderzoek naar manieren om het exacte geluidsniveau te registreren van treinen en machines. „Wat mij buiten het werk zelf aantrok in Nederland is de kwaliteit van het leven. Ik geef niet zo om de Amerikaanse of de Britse mentaliteit. Daar moet je heel lange dagen maken, en als je dat niet doet, word je al gauw een ‘loser’ genoemd. In landen als Nederland en Duitsland, waar ik mijn dissertatie heb geschreven, hebben ze wat mij betreft een betere balans tussen werk en vrije tijd gevonden.”

De markt voor zulke kennismigranten wordt grotendeels bepaald door de vraag van de kant van bedrijven, veel minder door het aanbod. Als goed geschoolde heb je volgens Lemaître niettemin een heel goede kans om binnen te komen in het land van je keuze, als een werkgever je ten minste wil. „Voor zover we dat kunnen beoordelen wordt hooguit zo’n 15 procent van de mensen voor wie bedrijven werk- en verblijfsvergunningen aanvragen, afgewezen. Alleen voor de laag geschoolden is het een stuk moeilijker geworden.” In Nederland werd in 2009 maar twee procent van de aanvragen voor een VVR (verblijfsvergunning) voor kennismigranten geweigerd.

Toch is een soepel toelatingsbeleid maar een deel van het Nederlandse verhaal. In de jaarlijkse voortgangsrapportage over de ‘Kennis- en Innovatieagenda 2011-2020’, die deze week werd gepubliceerd, staat dat Nederland het in vergelijking met het buitenland op dat terrein maar matig doet: „Nederland scoort laag op het aantrekken van buitenlandse R&D- en kenniswerkers, juist omdat ons land onvoldoende zichtbaar en onderscheidend is.”

Het lijdt geen twijfel dat de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Australië en Canada de favoriete bestemmingen blijven voor veel Indiërs, Chinezen en andere getalenteerden van buiten de EU. Niet alleen doordat daar meer fondsen beschikbaar zijn, maar ook omdat ze zich daar het meeste thuis voelen. Er wordt Engels gesproken, dat ze vaak al uitstekend of op zijn minst enigszins beheersen. Bovendien zitten daar al grote gemeenschappen van hun landgenoten. Kleinere taalgebieden als Nederland, Denemarken en Noorwegen hebben wat dat betreft een handicap. Maar kansloos zijn ze niet in de strijd om de kwaliteitsmigrant.

„Je kunt als werkgever nog altijd wel de mensen vinden die je zoekt”, zegt Lemaître van de OESO. „Alleen de allerbesten onder de kennismigranten hebben de luxe dat ze uit verschillende banen kunnen kiezen.”

Meer nog dan grote landen moeten kleine landen met een grote exportsector oppassen dat ze zich niet in de vingers snijden door immigratiebeperkingen. Denemarken heeft wat dat betreft een pijnlijke les gehad. Op aandrang van vooral de uiterst rechtse Dansk Folkeparti, die de centrum-rechtse regering al sinds 2001 in het zadel houdt, hoort het Deense immigratiebeleid tot de strengste in Europa.

Dat heeft Deense bedrijven al veel gekost, zegt Henning Gade van het Deense verbond van werkgevers. „In 2007 en 2008 moesten we veel orders laten lopen wegens een tekort aan hoog geschoolde arbeidskrachten. We kwamen zeker 50.000 man te kort.”

Volgens Gade waren de immigratiebeperkingen er mede debet aan dat de Deense economie in 2008 met 1 procent kromp. „We hadden echt een nieuw beleid nodig dat veel minder defensief was, om te voorkomen dat concurrenten in Azië en Latijns-Amerika ons opzij zouden duwen”, aldus Gade. „Als je je grenzen sluit, verlies je het.”

Het World Economic Forum (WEF), een platform waarop politieke leiders, topmanagers en wetenschappers discussiëren over internationale kwesties, meldde vorige herfst dat Denemarken, een paar jaar geleden nog derde op de internationale concurrentie-index, in 2010 naar de negende plaats was geduikeld. Sommige economen legden een verband met het restrictieve Deense immigratiebeleid.

De Denen hebben inmiddels, ondanks geklaag van de Dansk Folkeparti, eieren voor hun geld gekozen. Er is een nieuw systeem ingevoerd dat veel lijkt op het Nederlandse met een minimumsalariseis van 50.000 euro voor mensen die al een baan hebben geregeld. Daarnaast hebben de Denen naar Amerikaans voorbeeld een Groene Kaart ingevoerd voor mensen met voldoende middelen en een hoge opleiding. Die mogen zo Denemarken in. Ook Duitsland kent inmiddels zo’n regeling.

Maar zijn zulke maatregelen voldoende? Finn Larsen, bestuurder van de Deense vakbond LO en geograaf van huis uit, erkent dat een verdere versoepeling op termijn onvermijdelijk is. „Door de toenemende vergrijzing moeten we op den duur wel grotere aantallen buitenlanders toelaten tot de Deense arbeidsmarkt.”

Die mening wordt niet door alle economen gedeeld. Joop Hartog, hoogleraar micro-economie aan de Universiteit van Amsterdam, „Ik ben niet voor immigratie die tot bevolkingsgroei leidt”, zegt hij. „Het is hier anders dan in Canada of Australië. Wij hebben geen schaarste aan mensen en we hebben binnen Europa al een groot potentieel tot onze beschikking. Je moet alleen de echt unieke talenten van buiten Europa halen.”