Wennemars gaat Bos nog één keer ophemelen op tv

Jan Bos rijdt in Heerenveen zijn laatste WK sprint. Met de eerder gestopte Erben Wennemars en Marianne Timmer vormde hij een unieke generatie sprinters.

Europa, Nederland, Dalfsen, 06-01-2010. Erben Wennemars, schaatser op de ijsbaan waar hij met schaatsen begon. Foto: Evelyne Jacq Evelyne Jacq

Bij de koffieautomaat in de kantine van ijsstadion Thialf in Heerenveen filosofeert Erben Wennemars over de WK sprint van komend weekeinde. Opeens onderbreekt de oud-kampioen, tegenwoordig analyticus voor de NOS, zijn betoog en draait zich om. „Ha Jan.”

Zijn voormalig ploeggenoot en vriend Jan Bos is net klaar met een van de laatste trainingen voor de WK. „Hoe gaat het”, vraagt Wennemars. „Het gaat echt goed, joh”, zegt Bos met een glimlach. „Van het weekend nog een lekker duizendje gereden. Opening 16,8 en daarna 600 meter een beetje pielen. De snelheid komt makkelijk, ik raak ze goed.”

Allebei 35 zijn ze inmiddels, op het kruispunt van stoppen of doorgaan. Wat maakten ze samen niet mee? Bos, in 1998 in Berlijn de eerste Nederlandse wereldkampioen sprint, Wennemars als zijn populaire sidekick. Het introverte supertalent en de extraverte werker. Ze dronken bier en margarita’s op de speedboot van hun coach Peter Mueller in Lake Havasu, waren vrienden voor het leven. Tot de miljoenen van DSB en SpaarSelect de schaatssport overspoelden en zelfs het voorheen onafscheidelijke duo tegenover elkaar kwam te staan. Met hun aanhoudende successen normaliseerden de verhoudingen. Maar nooit kwam het meer verder dan een toevallige ontmoeting langs de baan.

„Ga je echt stoppen, Jan”, vraagt Wennemars, die vorig jaar net naast olympische kwalificatie greep en afscheid nam bij de NK kortebaan. „Dit wordt mijn laatste WK sprint”, antwoordt Bos beslist. „Ik geniet er enorm van dat ik nu dit hoge niveau nog haal. Dat maakt het misschien een beetje dubbel om te stoppen. Maar ik weet zeker dat ik het volgend jaar zeker niet zo goed zal doen als nu. Het is mooi geweest. Ik kan er zelfs wel een beetje naar uitkijken dat ik na dit seizoen stop.”

Moeilijk te geloven voor een buitenstaander, die van nabij ziet dat topatleet Bos nog in blakende vorm is. Wennemars begrijpt wel wat Bos bedoelt. „Als je het zo voelt, moet je ook stoppen. Dat is wel een mooie manier. Bij mij kwam het einde iets eerder dan verwacht. Maar ik vraag me nooit meer af of ik er nog tussen had kunnen rijden. Bij de EK in Collalbo roep ik wel wat over droef niveau, maar dan bekijk ik het van buitenaf. Ik misgun de jongens niks, ik ga dit weekend gewoon genieten van een fantastisch WK.”

Twaalf jaar geleden lagen ze samen in hotel Kienberg in Inzell, schoenen aan in een tweepersoonsbed. Brinta en kleding over de vloer, mister Bean in de video. Ineens sprak Bos in plaats van spraakwaterval Wennemars. „Wij hebben binnen één jaar het sprinten populair gemaakt, samen met Marianne Timmer en Jakko-Jan Leeuwangh. Dat kwam doordat er nooit iets van sprinten was geweest in Nederland. Ik hoop dat wij een voorbeeld zijn voor de jeugd. Zodat die niet meer automatisch gaat allrounden.” Noem het een hoger doel. Bos, toen: „Je wilt wat teweegbrengen.”

Inmiddels is de Nederlandse top op de sprint breder dan bij het allrounden. Een paar dagen voor de WK streden vier kanshebbers nog om de laatste startplek. Kjeld Nuis (21) won, een jonge schaatser die de keuze kan maken voor sprint en middenafstand. Zoals titelkandidaat Stefan Groothuis, Simon Kuipers en Beorn Nijenhuis na een allroundjeugd een carrière als sprinter konden opbouwen. Ja, ze hebben wel wat teweeggebracht, beamen Bos en Wennemars.

Liever kijken ze vooruit naar de WK in Thialf, waar Bos in 1996 ook debuteerde met een 24ste plaats. Na 2006 (derde) en 2008 (val) worden het zijn vierde WK sprint in Heerenveen. Of hij nog voor het podium gaat? Bos wijst op de tegenstand van Davis, Groothuis en de Koreanen, Wennemars knikt. „Je weet dat de echte top er niet in zit, maar je bent nog goed genoeg om het beste uit jezelf te halen.”

Ze praten over de gloriedagen – die wedstrijd in Roseville 1997 en die tegenstander Greidanus in Alkmaar. Dan moet Bos weg. Naar het hotel? „Nee, naar huis”, zegt Bos, dit jaar zonder ploeg en meetrainend met de Italianen van Gianni Romme. „In je eentje in zo’n hotel, dat is echt ellende. Iedereen zit met zijn ploeg te eten en te lachen en ik zit in een hoekje tegen de verwarming gedrukt met mijn ontbijtje. Alleen de mieren eten met me mee.”

Als hij wegloopt, roept Wennemars hem na. „Succes Jan, ik ga je het hele weekeinde ophemelen voor de tv.”