Weg met de vrede!

Arjen Mulder. De derde jongen. De Arbeiderspers, 224 blz. € 19,95

‘Elke historische roman is een poging het verleden te veranderen, om het zinvol te maken, of draaglijk’, zegt een van de personages in Arjen Mulders eerste roman De derde jongen. De uitspraak is van toepassing op Mulders roman, die met recht ‘historisch’ mag worden genoemd. Het verhaal speelt zich af tussen 1944 –1948 in Italië en de hoofdpersoon is gemodelleerd naar de Duitse schrijver Franz Jung, die destijds inderdaad in dat land vertoefde. Van Jungs verleden zijn we op de hoogte dankzij zijn autobiografie Der Weg nach unten (1961) die, zoals de titel al suggereert, nogal in mineur eindigt. De maatschappij is ‘ziek’ en aan verbetering valt pas te denken als eerst alle mensen zijn ‘uitgeroeid’. Met enige geestdrift begroet Jung de waterstofbom, onder het weinig populaire motto ‘Weg met de vrede!’ Het is dit extreme pessimisme dat door Mulder wordt veranderd.

Ontgoocheld is Jung (die in de roman Franz Mühl alias Franz Laschke heet) overigens nog steeds. Misschien niet zo verwonderlijk bij deze voormalige expressionist, dadaïst, communist en antifascist, bij wie bijna alles is mislukt. Ondanks zijn verzet is Duitsland in handen van Hitler gevallen. Privé kijkt hij terug op twee gestrande huwelijken, twee zoons voor wie hij een vreemde is geworden, en een dochter die hij niet van een ellendige eenzame dood heeft kunnen redden. Vooral dit laatste zit Franz dwars, als hij eind 1944 doodziek uit het Italiaanse concentratiekamp Bozen wordt bevrijd.

Die bevrijding heeft Mulder verzonnen, er staat niets over in Der Weg nach unten. Hetzelfde geldt voor de mysterieuze Clara bij wie Franz in een dorpje aan de Ligurische kust terechtkomt om te herstellen. Zij woont daar samen met de 16-jarige ietwat achterlijke Arnoud, en deze jongen biedt hem de gelegenheid om alles wat hij in zijn leven verzuimd heeft goed te maken.

‘Muze’

Clara blijkt een oude bekende uit Duitsland te zijn, een danseres die ooit de ‘muze’ was van beroemde avant-gardekunstenaars. Zij gaat al gauw dood, en dat lot mag wat Franz betreft zijn hele verleden treffen, ook al blijft het hem op allerlei manieren achtervolgen: in de gedaante van de kunstwerken (Matisse, Kandinsky, Klee en vele anderen) die Clara op zolder heeft liggen, in de vorm van zijn eigen roman De nieuwe mens die daar ook rondslingert en in de persoon van enkele oude bekenden die opduiken als hij samen met Arnoud op het strand een ijstent is begonnen. Franz wenst nog alleen het heden en de toekomst te omarmen, belichaamd door Arnoud, toonbeeld van onschuld en tijdloosheid, en als zodanig een mogelijkheid tot ontsnapping aan de geschiedenis met haar avant-gardedromen en haar catastrofale realiteit.

In de praktijk komt het erop neer dat zij beiden naar Amerika emigreren – net als de echte Franz Jung. Met deze emigratie eindigt de roman, die bestaat uit een overvol relaas van de belevenissen van Franz en zijn Arnoud in het Italiaanse kustdorp. Het had een wervelende kroniek moeten worden, waarbinnen Franz zijn leven opnieuw uitvindt. Een kroniek vol Italiaanse corruptie en vitaliteit, gesitueerd in de chaotische jaren vlak na de bevrijding, toen het land nog wemelde van ex-gevangenen, vluchtelingen en andere lieden met hun ziel onder de arm, afkomstig uit heel Europa. Alle ingrediënten zijn in het verhaal aanwezig, maar hoe Mulder ook zijn best doet, tot leven komen wil het maar niet.

Wat deze roman ontbeert is stijl, kleur, een eigen toon die de woorden onder stroom zet. Mulder schrijft vooral veel grijze zinnen die het cliché niet schuwen. Een willekeurig voorbeeld: ‘Haar haar zat niet meer in een knotje, ze had het halflang met een pony laten knippen. Het bolde op en met haar lichtgevende ogen en stralende glimlach zag ze er dertig jaar jonger uit’. Soms doet hij een poging om het wat mooier te zeggen (‘De omgeving lichtte steenachtig op. Zelfs de krekels tjilpten rotsig’), maar dat is nauwelijks een verbetering. De talloze dialogen die voor de dynamiek zouden moeten zorgen blijven vlak en nietszeggend (‘Ik denk erover om voor mijzelf te beginnen’ ‘Als wat?’ ‘Horeca’), tenzij er specifieke informatie moet worden doorgegeven. Dan pakken de personages opeens breed uit, maar hun verhalen hebben altijd ook iets van samenvattingen of uittreksels.

Karakter

Al even onhandig is de manier waarop Mulder zijn verhaal mysterieus tracht te maken: door de intrige van enkele opzichtige onduidelijkheden te voorzien. Van wie is Arnoud het kind? Waarom is Franz uit het kamp bevrijd? Hoe zit het met het schatrijke, door de nazi’s vermoorde joodse echtpaar bij wie het halve dorp in het krijt stond? Wie is Clara precies? Enzovoort.

Toch wordt het nergens spannend. En als dan ook nog de personages amper uit elkaar te houden zijn omdat ze te weinig karakter meekrijgen, sijpelt de belangstelling weg. Je moet het wel heel erg eens zijn met Mulders antipessimistische moraal (de concrete zorg voor één reëel mens is meer waard dan alle abstracte idealen bij elkaar) om deze roman met rode oortjes uit te lezen.

Wat een tegenvaller – die ik bovendien allerminst had verwacht, want Arjen Mulder ken ik als de schrijver van schitterende originele essays (Levende systemen) en van een al even origineel boek dat het midden houdt tussen biografie en essay (De vrouw voor wie Cesare Pavese zelfmoord pleegde). In De derde jongen zit niets origineels, behalve de niet door Mulder verzonnen hoofdpersoon. Maar met hem kunnen we beter kennismaken in zijn eigen autobiografie.