VS wennen aan nieuwe macht van Chinezen

De Amerikanen hebben zich min of meer verzoend met de opkomst van China. Maar meer dan tot voor kort pakken ze de Chinezen zo nodig ook stevig aan

Weinig bereikt en toch geen slechte uitkomst. Ontmoetingen van Barack Obama met Chinese leiders hebben een nederige uitwerking op de Amerikaanse ziel. Hoewel de president van de VS amper kan bogen op tastbare resultaten van het staatsbezoek van zijn Chinese ambtgenoot Hu Jintao, reageerden Amerikaanse politici en commentatoren lang niet onwelwillend op de uitkomst. Dat is wel eens anders geweest.

Het laat zien dat de VS, sneller dan verwacht, hun instinctieve verzet tegen de onvermijdelijke groei van China tot nieuwe wereldmacht aan het opgeven is. Politici en beleidsmakers voorzien de ontwikkeling natuurlijk al langer, en het publiek haakt nu aan. Onderzoek van het Pew Research Center leerde vorige week zelfs dat bijna de helft van de bevolking nu al denkt dat de Chinese economie groter is dan de Amerikaanse. (In werkelijkheid is het bruto nationaal product van de VS nog altijd driemaal zo groot.)

Voor de politieke elites is het zaak China nu mee te laten delen in de kosten van het wereldleiderschap. Vandaar dat ze in de regering-Obama gisteren vooral content waren dat China nu openlijk bereid is zorgen uit te spreken over de nucleaire avonturen van Noord-Korea. Gezien Amerika’s dure en riskante ambities met Afghanistan, Pakistan, Irak en Iran zou de regering-Obama de beteugeling van het grillige Noord-Korea graag uitbesteden aan China. De VS zien de verklaring van deze week als een hoopvolle eerste stap.

Hu’s uitspraken over mensenrechten kregen veel aandacht in de media, maar binnen de Amerikaanse regering werd erkend dat de verklaring van de Chinese president alleen rituele waarde heeft. Obama’s achterban zou het niet hebben geaccepteerd als hij het thema genegeerd had. Maar de Amerikaanse president verbond geen eisen aan zijn openbare zorgen, en daarmee was het belang van het thema op voorhand geminimaliseerd.

De Amerikanen slaagden er in eigen ogen wel in de public relations-oorlog over dit thema te winnen van de Chinezen. Woordvoerder Gibbs van het Witte Huis stond gisteren uitvoerig stil bij de aanvankelijke verklaring van Hu dat hij de vraag van een journalist over mensenrechten niet gehoord had. Pas toen een tweede verslaggever de kwestie aan de orde stelde, sprak de president zich uit. Het maakte een defensieve en onbetrouwbare indruk, schreef commentator Dana Milbank in The Washington Post. „Geen wonder dat Hu niet van vragen houdt. Hij zou eens eerlijk antwoord moeten geven.” Het was het beeld dat de regering nastreefde. Obama’s partijgenoot Harry Reid, meerderheidsleider in de Senaat, noemde Hu voor het bezoek „een dictator”.

Het laat zien hoe China volgens de jongste inzichten in Washington benaderd moet worden. Obama’s houding in 2009, een appèl op wederzijdse schappelijkheid, leverde hem alleen Chinese polarisatie op. Nu hij zijn kritiek openlijk uitspreekt zoeken de Chinezen consensus, redeneren ze in Washington. Het is in Amerikaanse ogen een heldere les: ze moeten niet meer bang zijn China de waarheid te vertellen.

Het heeft ook te maken met het nieuwe zelfvertrouwen onder Democraten. 2010 eindigde voor Obama als een rampjaar – zwak economisch herstel, verkiezingen verloren, dalende populariteit. Een paar weken later is alles omgekeerd. Enkele successen in het Congres, dalende werkloosheid, een sterke speech na de tragedie in Tucson - en alles lijkt weer in goede handen bij deze president.

Het laat onverlet dat de economische trends onheilspellend blijven voor de VS. Martin Jacques, auteur van het bekende When China Rules the World, constateerde gisteren: „De VS zijn een wereldmacht in verval, China een wereldmacht in opkomst. Hun rivaliteit wordt een fundamenteel nieuw aspect van hun relatie de komende decennia. Het zal voor de VS eerder moeilijker dan makkelijker worden.”