't Voelt als droomland

Hoe verkoop je een musical? Met bekende nummers. Komend seizoen zijn er weer drie ‘jukeboxmusicals’.

Het theaterbedrijf van Joop van den Ende gaat een musical maken waarin de bekendste liedjes van Paul de Leeuw worden gezongen. Geen musical over De Leeuw zelf, maar een nieuw verhaaltje over twee dertigers wier alleenstaande ouders in een bejaardenhuis verliefd op elkaar zijn geworden. En daarbij passen titels als ‘Ik heb je lief’, ‘Blijf bij mij’, ‘Jij bent de vleugels van mijn vlucht’ en het nummer dat de titel is geworden: ‘Vlieg met me mee’. „Iedereen in Nederland heeft wel een herinnering bij een nummer van Paul”, zegt producent Erwin van Lambaart. En zelf toont De Leeuw zich natuurlijk vereerd: „Het voelt als droomland!”

Jukeboxmusicals, luidt de vakterm, want het is een apart – en ook in Nederland razendsnel groeiend – genre: de musicals waarvan de songs niet nieuw zijn geschreven, maar uit bestaand repertoire worden geput. Ze zijn er in twee soorten: de biografie van een artiest met de bijbehorende hits, of de voorstellingen waarin rondom die bestaande liedjes een nieuw, fictief verhaal wordt verteld. Het beste voorbeeld van het laatste is het internationale kassucces Mamma Mia!, dat in 1999 in Londen in première ging en daar nog elke avond wordt gespeeld. Zelfs de verfilming met Meryl Streep heeft aan de toestroom van bezoekers geen eind gemaakt. Mamma Mia! is de musical met de hits van Abba die niet over de groep gaat, maar over een moeder die op drie vroegere minnaars stuit en een dochter die wil weten wie van de drie haar vader is. En het script was dermate passend gemaakt, dat alle songs speciaal daarvoor geschreven leken.

Alleen al in Nederland zijn er dit seizoen twee jukeboxmusicals op toernee: Volendam, waarin de avonturen van allerlei fictieve dorpelingen op speelse toon worden afgewisseld met hoogtepunten uit de palingpop, en Toon, waarin Alex Klaasen een biografische impressie over Toon Hermans speelt en ’s mans mooiste liedjes zingt. Volgend seizoen komen er minstens drie, waarvan er twee min of meer biografisch zijn: over de Zangeres zonder Naam en over Ramses Shaffy. En de derde is dus Vlieg met me mee.

De producent die zo’n jukeboxmusical aan de theaters aanbiedt, heeft een streepje voor. „Ik snap heus wel dat er nooit een musical zal worden verkocht op mijn naam”, zegt tv-, toneel- en musicalschrijver Dick van den Heuvel. „Om een musical te verkopen, moet er altijd een bekend boek, een bekende film, een bekende gebeurtenis of een handvol bekende nummers onder liggen. Maar voor de schrijver, die die bestaande nummers in een nieuw script moet verwerken, kan het een horreur zijn. Probeer maar eens een logisch verband te verzinnen tussen het verhaal en de songs die er in moeten”.

Grif geeft Van den Heuvel toe dat dat hem vorig jaar, toen hij het script schreef voor de jukeboxmusical Dromen... zijn bedrog, nauwelijks is gelukt. De combinatie met hits uit vijftig jaar Nederlandse popgeschiedenis en een verhaal van eigen makelij verliep lang niet probleemloos. Het resultaat was een show waarin de intrige en de liedjes elkaar in de weg zaten. „We hadden eerst een toneelstuk en daarna moesten daar zo veel mogelijk nummers in”, aldus de schrijver. „Ik moest steeds uit het verhaal treden om naar het volgende nummer toe te praten. En dan na het nummer weer terug naar het verhaal. Zo stond de intrige telkens stil – terwijl een musical nóóit stil mag staan”.

Eén keer heeft Van den Heuvel zelfs een opdracht – voor een musical over Elvis Presley – moeten teruggeven: „Ik kreeg het niet voor elkaar. Die nummers waren veel te divers. ‘In The Ghetto’ moest erin. Maar die man heeft nooit in een getto gezeten. Hoe doe je dat?” Heel wat voorspoediger gaat het met het script dat hij over Ramses Shaffy schrijft: „Dat is heerlijk. Ramses heeft in zijn liedjes zijn eigen biografie geschreven; ze vertellen bijna één op één over zijn leven. Dan is het een groot genot om daar een eenheid van te maken. Maar stel nou eens dat je een musical met de nummers van Marco Borsato zou willen maken – dat zou me óók niet lukken. Die gaan over zó veel verschillende emoties; je zou nooit één iemand kunnen verzinnen die dat allemaal heeft meegemaakt”.

„Het is altijd lastig om bestaande nummers in een nieuw script onder te brengen”, bevestigt Volendam-producent Hans Cornelissen. „Een lijstje met twaalf nummers waar je dan op een logische manier een verhaaltje omheen moet breien, zonder dat het een potpourri wordt. Maar het kan wel. We kwamen op het idee van een Volendam-musical omdat het repertoire aan de ene kant heel uiteenlopend is – van The Cats tot Jan Smit – terwijl je toch de verbindende factor van dat opmerkelijke dorp hebt”.

Maar lang niet elk oeuvre leent zich voor een jukeboxmusical, zegt hij. „Het is beslist niet zo dat we de hele tijd zitten te verzinnen waar we nu eens een musical van kunnen maken. Je moet het gevoel hebben dat er een dramatische context is die interessant zou kunnen zijn. Een musical met nummers van Rob de Nijs zou ik bijvoorbeeld een heel armoedig idee vinden”.