Schrijven is met alle kracht beweren

Al in zijn eerste brieven weigert Saul Bellow terug te vallen in nostalgie. Teleurstelling in het heden was misplaatst. Zijn leven lang bleef hij aan dat idee vasthouden, ook al sloeg het leven hem meerdere malen in het gezicht, leest Bas Heijne in zijn geselecteerde brieven.

Saul Bellow: Letters. Samengesteld door Benjamin Taylor. Viking, 571 blz. € 34,-

Er staan veel sterke zinnen in de brieven van Saul Bellow, maar de sterkste staat in een brief uit 1952, geschreven aan de toen beroemde criticus Lionel Trilling. Diens vrouw Diana had in een krant een stuk geschreven waarin ze zich beklaagde over de staat van de literatuur, er was – zo gaan die dingen – een discussie uit voortgekomen, en Trilling had Bellow naar zijn reactie gevraagd.

Bellow reageerde hartstochtelijk. Hij was het er absoluut mee oneens. Waren de meeste hedendaagse romans armzalig? Zeker. Maar dat sprak vanzelf, dat was ‘like saying mutilation exists, a broken world exists’. Je kon niet zeggen of de romans van nu slechter waren dan vroeger: ‘Really, things are now what they always were, and to be disappointed in them is extremely shallow. We may not be strong enough to live in the present. But to be disappointed in it! To identify oneself with a better past! No, no!’

Dat was meteen de hele Bellow: een ongeremde hartstocht voor het hier en nu, de weigering terug te vallen in pessimisme of nostalgie, en en passant, in een simpel, achteloos, twijfelend zinnetje een heel wereldbeeld samengevat: we may not be strong enough to live in the present. Toen Bellow deze brief schreef, stond hij aan de vooravond van zijn doorbraak als romanschrijver: hij werkte aan The Adventures of Augie March, waarin hij resoluut brak met de flaubertiaanse precisie van zijn eerste twee romans en het leven in zijn volle tragische en komische complexiteit omhelsde.

Dat ging gepaard met een vitaal en assertief humanisme. In dezelfde brief beschreef hij de sombere algemeenheden waartegen hij in het geweer was gekomen: ‘Yes, there’s a great disease, an ancient disease now greatly magnified by our numbers. Man is sick of man; man declares man superfluous, and says in his heart that he himself is superfluous.’ En er zijn mensen die de schuld bij de samenleving leggen, die de maatschappij verwijten dat die hun geen blijvende waarde en betekenis verschaft. Alsof de belangrijkste betekenis van een mens zich niet in zijn eigen hart ophoudt!

Daar gaat het om, volgens Bellow, en ‘to prove and proclaim it with all one’s powers – that is the work and duty of a writer now; it ought to be the work and duty of critics, too.’

Die overtuiging loopt als een rode draad door de brieven. Ze beslaan, zo vermeldt de samensteller Benjamin Taylor, ongeveer tweevijfde van zijn totale productie. Met andere woorden, er is streng geselecteerd. Dat is het boek ten goede gekomen, want het leest nu als een van Bellows beste romans. Wat ook helpt is de karige annotatie onder iedere brief; Taylor is een redacteur van het bescheiden soort, die zich niet geroepen voelt alles en iedereen van voetnoten en verklaringen te voorzien.

De geest van Bellow hierdoor ruim baan. Meteen al in de eerste brieven vind je de bekende, totaal eigen toon, die van een jongeman die zich gretig in het dagelijks gewoel stort en dat tegelijk beschrijft in een ironisch-intellectuele stijl. Het verhaal is dat van een zoon van joodse immigranten (van Rusland, via Canada, naar de Verenigde Staten), die tijdens zijn studie zijn roeping vindt: het schrijverschap.

Die roeping gaat gepaard met veel zelfkritiek – voortdurend wijst Bellow zijn correspondenten op de zwakke plekken in zijn eigen werk, steeds weer beklaagt hij zich over de vormeloosheid van zijn romans, maar niet met grote twijfel.

Tegen de tijd dat hij die brief aan Trilling schreef, wist hij wat voor schrijver hij wilde zijn: romancier die de erfenis van het modernisme terugbracht naar de grote 19de-eeuwse, sociale roman. Literatuur moest de hele samenleving insluiten, geen onderwerp was te banaal, je moest voortdurend op je hoede zijn voor stellingname en al te nadrukkelijke filosofische posities (De pest van Camus vond hij te veel een uitdrukking van een idee om een goede roman te zijn). In een vroege brief waarschuwt hij al tegen de snobs die cultuur verwarren met ‘incantation’, de hoogdravende toon.

Al vroeg ook maakt Bellow onderscheid tussen ‘psychologie’ en ‘karakter’, waarbij hij voor het laatste kiest: een karakter is een speelbal van allerlei invloeden binnen en buiten hem, waar hij niet of nauwelijks greep op heeft – het is niet aan de romanschrijver om menselijk gedrag fijntjes te analyseren, maar de menselijke ervaring an sich betekenis te geven.

Dat is iets anders dan duiding: ‘I think this is a fault of all American books, including my own. They pant so after meaning. […] A work of art should rest on perception.’

Hij wist dat in zijn kracht als schrijver ook zijn zwakte school: zijn temperament was gespitst op duiding en beschouwing, terwijl hij vond dat er in een roman geen plaats kon zijn voor logische uitkomsten. Hij was ervan overtuigd dat een roman geen planning mocht verraden, maar tijdens het schrijven van Herzog beklaagt hij zich erover dat zijn gebrek aan methode hem voor de zoveelste keer in moeilijkheden heeft gebracht.

Ook deze brieven laten een ‘karakter’ zien – Bellow zelf blijkt een personage dat helemaal Bellow is. De stellige gretigheid waarmee hij op het bestaan afstormt, dreigt ten onder te gaan naarmate het leven hem zelf vaster in de houdgreep krijgt.

Zijn roeping als schrijver moet het opnemen tegen het literaire leven, met zijn werkbeurzen, verdwaasde critici, luie uitgevers, afvallige bewonderaars en onoplettende correctoren (wanneer hij laat in zijn leven zijn nieuwste boek ontvangt, het openslaat en ‘her and her…’ in plaats van ‘she and her…’ ziet staan, schrijft hij dat hij, ondanks zijn woede, geen stennis heeft geschopt, maar de toon doet vermoeden dat er serviesgoed is gesneuveld).

Zijn liefde voor de mensheid wordt getemperd door zijn vier mislukte huwelijken, die stuk voor stuk eindigen in wraakzucht en bitterheid. In de brieven die op weer zo’n scheiding volgen, zie je Bellow wanhopige pogingen doen om zijn hoofd koel te houden en zijn emoties te beteugelen, maar het venijn spuit tussen de redelijke argumenten door.

Er is een voortdurende onderstroom van nervositeit in de brieven; in de periode dat hij Henderson the Rain King schreef, eind jaren vijftig, verklaart hij meerdere malen dat hij zich op de rand van de waanzin bevindt. Het is moeilijk het leven te omarmen, wanneer datzelfde leven je steeds in je gezicht mept. In het dagelijkse leven stond Bellow, zeker naar het einde toe, bekend als een onverbeterlijke lastpak – in veel brieven moeten dingen rechtgezet worden.

Maar Bellows humeurigheid en felle woede, dat laten deze brieven ook zien, komen voort uit zijn oprechte geloof dat er waardevolle zaken op het spel staan. In zijn brieven aan collega-schrijvers, sommigen bekend, zoals Philip Roth, Bernard Malamud en John Cheever, anderen onbekend, laat hij zich kennen als een scherp criticus, die echter geen enkele moeite heeft met bewondering.

Voor een schrijver als Cheever, die in zijn verhalen precies doet wat de literatuur volgens Bellow moet doen, namelijk het transcendent maken van het leven zelf, kent zijn bewondering geen grenzen.

Naarmate hij ouder wordt, Bellow sterft in 2005 op 89-jarige leeftijd, worden zijn brieven oppervlakkiger en minder oorspronkelijk – net als zijn latere literaire werk. Hij geldt dan allang als een van de belangrijkste schrijvers van de Verenigde Staten, wordt voortdurend gehuldigd en gevierd (al in 1975 krijgt hij de Nobelprijs), maar tegelijkertijd ziet hij overal tekenen van een beschaving in verval (hij wordt stevig gekritiseerd om zijn cultureel conservatisme en onvoorwaardelijke steun voor Israël).

Die tweespalt maakt het hem lastig, maar deze rijke bundel brieven verzandt nergens in het geklaag en gezeur van een man die vindt dat het almaar minder wordt. De beschaving mag in gevaar zijn, het leven zelf blijft wat het altijd geweest is.

Tot op het laatst houdt Bellow vast aan zijn vroegste ingeving: dat het leven een wonderbaarlijk geschenk is dat geen misprijzen verdient en dat de mens de kroon op een schepping is waarin hij even komisch als hopeloos verdwaald blijkt te zijn.