Opgebrand in genialiteit

12.01.1751 - 24.05.1792 Schriftsteller, D Bleistiftzeichnung von Heinrich Pleuninger aus Lavaters Sammlungen (Nationalbibliothek Wien) ullstein bild - ullstein bild

Georg Büchner: Lenz. Vertaald uit het Duits en van een nawoord voorzien door Kees de Both. IJzer, 77 blz. €12,50

Jacob Lenz (1751-1792) is een typische representant van de Sturm und Drang, de periode in de Duitse literatuur waarin je geen beginnende schrijvers had, maar kant-en-klare genieën, die hun originaliteit ook buiten hun werk wilden etaleren en zich uitleefden in grillen waar eerzame burgers schande van spraken. Drinkgelagen begonnen ze met het aan diggelen smijten van alle glazen – dat werk.

Lenz stond in de schaduw van de twee jaar oudere Johann Wolfgang Goethe, maar het was hem wel vergund snel op te branden in genialiteit en gekte, terwijl Goethe een hoge leeftijd bereikte en ook nog het lot van een alom gerespecteerd, klassiek auteur moest ondergaan. In zijn autobiografie Dichtung und Wahrheit noemt Goethe zijn jeugdvriend ‘een voorbijgaande meteoor’. Let wel, geen meteoor die inslaat, want Lenz was na zijn vliegende start spoedig weer vergeten.

De scheppingskracht van de dichter en toneelvernieuwer werd vroeg ondermijnd door zijn wanen en angstaanvallen. In januari 1778, toen hij er heel slecht aan toe was, ging hij logeren bij een predikant in een dorpje in de Vogezen. Het was de bedoeling tot rust te komen, maar juist hier, in het besneeuwde dal, brak de psychose door. Dominee Oberlin, die van goede wil was, moest zijn jonge gezin beschermen tegen het naargeestige, doffe geluid van de klappen waarmee zijn gast op het erf neerkwam, nadat hij weer eens uit het raam van de bovenverdieping gesprongen was, en liet hem door enkele sterke mannen terugbrengen naar zijn woonplaats Straatsburg.

Na een ongeregeld bestaan met baantjes hier en daar kwam Lenz in Moskou terecht, waar hij in armoede en geestelijke verwarring wegkwijnde. Slechts één Duitse krant berichtte over zijn overlijden: ‘Er starb, von wenigen betrauert, und von keinem vermißt.’

De dominee schreef een verslag over de dramatische achttien dagen die de dichter bij hem had doorgebracht, en hierop baseerde Georg Büchner een halve eeuw later de novelle Lenz. Büchners diepe begrip van Lenz’ psychische nood, zijn toepasselijke gejaagde stijl en zijn allegorische natuurbeschrijvingen hebben een aangrijpende, haast hypnotiserende tekst opgeleverd. Wanneer Lenz hoort dat er in de buurt een kind is gestorven, smeert hij zijn gezicht met as in en gaat erheen. ‘Lenz huiverde terwijl hij de koude ledematen aanraakte en de half open, verglaasde ogen zag. Zo’n verlaten indruk als het kind op hem maakte, zo alleen en eenzaam voelde hij zichzelf [...] Toen stond hij op, pakte de handen van het kind en zei luid en stellig: “Sta op en wandel!” Maar de muren weerkaatsten nuchter zijn klanken, als om hem te bespotten, en het lijk bleef koud.’

Dat Georg Büchner (1813- 1837) zich zo goed in Lenz’ waanzin kon verplaatsen is niet toevallig. Kort voordat hij aan de novelle begon had hij een geestelijke inzinking; sommige van de angsten die hij Lenz meegaf, had hij zelf ervaren en reeds beschreven in brieven aan zijn verloofde.

De schrijver en revolutionair stierf op 24-jarige leeftijd aan tyfus. De weinige werken die hij naliet, waaronder Woyzeck, bleken zeer invloedrijk, en de belangrijkste Duitse literatuurprijs is naar diezelfde Büchner genoemd.

Büchners novelle is als een klassieke beschrijving van een schizofrene psychose gaan gelden, maar dat wil niet zeggen dat de ‘verschrikkelijke leegte’ die Lenz herhaaldelijk ervaart uitsluitend de afgrond van de waanzin is.

Het zou heel goed de leegte van een wereld zonder God kunnen zijn. De leegte van een leven zonder geliefde Friederike. De leegte van moeizaam verworven maatschappelijke vrijheid. Of de existentiële leegte van ons algemene lot: lijden tot de dood erop volgt. Of de leegte van een wereld zonder samenhang, want als ons alledaagse conceptuele denken niet langer vanzelfsprekend is, rest een filosofische nachtmerrie: ‘[...] als ik maar kon uitmaken of ik droom of waak: weet u, dit is heel belangrijk, wij gaan het onderzoeken.’