Op weg naar het spoorparadijs

In de twee jaar dat Tony Judt (1948-2010) door een dodelijke spierziekte elke nacht verlamd wakker lag, reisde hij door zijn geheugen. Kristalheldere essays zijn het postume resultaat.

This stock photo shows the Arosa train on the Langwies Bridge in a beautiful mountain landscape near Arosa a ski resort in Switzerland. picture-alliance / Bildagentur-o

Tony Judt: The Memory Chalet Heinemann, 225 blz. € 21,- De vertaling, De Geheugenhut, verschijnt in februari bij Contact.

Als jongen reisde de Britse historicus Tony Judt lukraak met de trein in en om Londen. Hij hield van treinen, schrijft hij, en treinen hielden van hem. De stations, de bestemmingen, de ruwe, warme stof van de bekleding. Uit het raam kijken. Als gemeenschappelijk transport in de pre-mobieltjestijd was de trein een goede plek voor zowel gezelschap, als eenzaamheid en reflectie: ‘a fine and silent place’.

Het besef dat hij nooit meer met de trein zal reizen, schrijft Judt in zijn postuum uitgegeven bundel kleine essays The Memory Chalet, weegt op hem ‘als een loden deken’. Het is meer dan verlies van vrijheid en plezier, meer dan het afstand doen van nieuwe ervaringen. Het markeert ‘the loss of self’.

Dit is een van de zeldzame keren dat Judt zich in The Memory Chalet laat gaan over zijn toestand. In augustus 2010 overleed Judt, nadat bij hem twee jaar eerder de spierziekte ALS (amyotrophe lateraal sclerose) was vastgesteld. In het aangrijpende stuk ‘Night’, dat hij vorig jaar rond deze tijd in de New York Review of Books publiceerde en dat in The Memory Chalet is opgenomen, beschreef Judt hoe hij leefde in een ‘gevangenschap zonder voorwaardelijke vrijlating’; zijn lichaam vrijwel verlamd, maar zonder pijn en met een heldere geest. ‘Men is dus uitgebreid in staat de catastrofale progressie van zijn eigen achteruitgang te overdenken.’ ’s Nachts lag hij, zonder bril en met beademing, ‘gekneveld, blind en bewegingloos als een hedendaagse mummie’ zeven uur aan een stuk zonder zich te kunnen verroeren. Hij bracht de tijd door met ‘scrollen door mijn leven, gedachten, fantasieën, herinneringen’.

The Memory Chalet is het resultaat van die nachtelijke mentale excursies. ‘Loss is Loss, and nothing is gained by calling it a nicer name,’ schrijft Judt in ‘Night’. Maar ‘er zijn verschillende soorten geluk’: zijn geheugencapaciteit is nu enorm gegroeid. Door zijn nachtelijke gedachten systematisch uit te werken en ze als het ware op te bergen in zijn ‘geheugenchalet’, kan hij ze overdag dicteren. In de twee jaar dat hij ziek was produceerde Judt zo maar liefst drie boeken. De politieke beschouwingen in Ill Fares the Land (Boeken, 21-05-10), de persoonlijke getuigenissen van The Memory Chalet en een nog te verschijnen boek over de 20ste eeuw.

Judts persoonlijke versie van de ‘geheugenpaleizen’ en ‘theaters van het geheugen’ uit de Renaissance (visualisaties om veel informatie te kunnen onthouden) is een hotel in het Zwitserse Chesières waar hij in de jaren vijftig een vakantie doorbracht, vol donker hout, diepe stoelen en warme wijn. Lukraak lijken de 26 essayistische vignetten in dit boek, maar zoals dat hoort in een geheugentheater zijn ze precies geordend, en spiegelt de kleine ordening de grote. Ieder schijnbaar losjes, kristalhelder geschreven stuk waaiert uit, van details uit Judts persoonlijk leven naar mentaliteitsgeschiedenis. De drie delen draaien achtereenvolgens om zijn jeugd in Londen en de concrete veranderingen van naoorlogs Engeland (eten, vervoer), om Judts adolescentie en het einde van ideologie en ten slotte om zijn volwassen leven in New York en identiteit. Zo verbindt Judt in dit gloedvolle afscheid zijn leven aan het naoorlogse tijdvak, en het boek daarover waarmee hij beroemd werd en dat de geschiedenis vertelt van zijn eigen generatie: Postwar.

Het gaat, zoals gezegd, weinig over Judts eigen verdwijnen, maar aan de hand van zijn jeugdherinneringen wel over wat hij bij leven zág aftakelen: de verzorgingsstaat. Hij beschrijft hoe soberheid naoorlogs Engeland bepaalde, als toestand, maar ook als ethisch principe, en hoe men dit begrip nu heel goed zou kunnen gebruiken. Hoe zijn Amerikaanse studenten zich niet meer kunnen verplaatsen in twintigste-eeuwers die hun leven gaven voor een idee of ideaal. Samenhang is weggeprivatiseerd, sociale interactie gereduceerd door commercie. Geen enkel onderwijs kan de diepe kloof tussen de haves en have-nots dichten zolang de markt die ongehinderd in de hand werkt.

De afbrokkeling van de verzorgingstaat uit zijn jeugd was, blijkens de essaybundel Reappraisals (Boeken, 29.08.08) en Ill Fares the Land, Judts thema in zijn laatste jaren. Je kunt dat nostalgie noemen – veel passages in The Memory Chalet wijzen daarop en Judt was het type linkse sociaal-democraat dat nu zo uit de mode is. Maar er zit veel waars in zijn observaties, en Judt koos zijn thema bewust: want áls intellectuelen iets moesten zijn, bleek uit Reappraisals, dan het liefst toch ‘publieke moralisten’.

Alleen in het laatste deel, als hij schrijft over zijn eigen afkomst (Oost-Europees-joodse grootouders, een vader die in België opgroeide), en zijn buitenstaanderschap in New York, doet zijn engagement geforceerd aan. Zich tot ‘the people on the edge’, aan de rafelrand, bekennen is voor een erelid van de internationale kaste van intellectuelen geen geloofwaardige positie.

Aan het slot van The Memory Chalet is het volkomen logisch dat Judt, die woonde in het hectische New York, driemaal trouwde en met passie deelnam aan het publieke debat, ‘een ongeneeslijk conventioneel’ zwak had voor Zwitserland als het ging om zijn fysieke of mentale retraite. Het is er stil, schoon en netjes, ze zijn er trots op hun treinen. Ja, de oorlog, ja, ze zijn er xenofoob, en het is tuttig als iemand je vraagt je voeten van het treinbankje te halen. Toch: als iemand je vriendelijk wijst op een ongeschreven maatschappelijke code, ben je dan niet aangeland in het paradijs? ‘Thus to travel in Switzerland is to understand the ways in which efficiency and tradition can seamlessly blend to social advantage’.

Treinen structureerden de ruimte in Judts hoofd, ze waren de kapstok van zijn herinneringen en van zijn kennis. Zijn Europa bestond ‘uit treinafstanden’, de makkelijkste manier om Oostenrijk of België tot zich door te laten dringen was te vertoeven op hun stations. En dus eindigt dit fijnzinnige, intieme adieu met een beschrijving van een hotel in het Zwitserse Mürren, en het spoorlijntje daar vlakbij, ‘de gelukkigste plek ter wereld’. Het begin van je leven kun je niet kiezen, schrijft Judt, maar het einde wel. En hij stapt op de trein naar nergens.