Niet de persoon maar het werk

‘De tirannie van intimiteit’, stond boven een interview met Richard Sennett in De Groene Amsterdammer, een poosje geleden. Het is een kop waar je over blijft denken. Moeten we per se intiem zijn?

Richard Sennett is socioloog, cultuurfilosoof ook. Hij is een zeer kritische waarnemer van de kapitalistische maatschappij waarin wij leven en van de cultuur die daarbij hoort, of daaruit is voortgevloeid. Het verdwijnen van de zorg om het algemeen belang bijvoorbeeld, de neiging om alles persoonlijk te maken, de afbraak van het openbare leven.

Bij het stuk stond een foto van drie meisjes in de trein. Ze zitten dicht naast elkaar en zijn waarschijnlijk vriendinnen. Ze kijken alle drie naar de telefoon in hun hand. Eenzelfde foto stond een poosje geleden in een krant, met drie Japanse meisjes erop, tijdens de rituele viering van het twintig worden. Ze hadden kimono’s aan en waren mooi opgemaakt en aangekleed. En ze zaten alle drie naar het telefoontje in hun hand te turen.

Je zou zeggen: dat is gebrek aan intimiteit. En gebrek aan gevoel voor het openbare, tegelijkertijd. De openbare ruimte is al heel lang een plaats waar iedereen zich terugtrekt in zijn eigen wereld, met behulp van de eigen muziek, de eigen telefoongesprekken, de eigen berichtgeving over wat er plaats vindt. Alsof niemand meer in een openbare ruimte is om daar te zijn. Men is geen deelnemer aan iets, men is zichzelf, met het hele persoonlijke leven, toevallig terechtgekomen in een ruimte waarin ook anderen hun persoonlijke leven zitten te beleven. Of het privéleven van publieke figuren proberen te achterhalen.

We hebben geen geduld meer voor dingen die moeilijker of ingewikkelder zijn, zei Sennett. Want onze obsessie met het persoonlijk is niet een Montaigne-achtige analyse en observatie van de tegenstrijdige gemoedsbewegingen van onszelf en van anderen, maar meer zorg voor het beeld dat anderen van ons hebben. Daar moet steeds aan gewerkt worden.

Dus hollen politici naar voren als ze een krachtige uitspraak kunnen doen over iets en ze roepen ‘schandalig’ en dreigen met nieuwe wetten en maatregelen. Bijvoorbeeld om branden bij chemische bedrijven te voorkomen, of om het vastbinden van psychiatrische zwakzinnigen tegen te gaan.

Het is altijd gemakkelijk om direct heel hard te roepen. Je valt ermee op, je kunt je zelf een air van daadkracht geven. Het is veel minder aantrekkelijk om de regels, die er meestal zijn, en die vaak zo slecht nog niet zijn, te handhaven, om te controleren of alles wel gaat zoals het is afgesproken.

Daar komt niemand mee in de krant. Tegelijkertijd denk je vaak dat dat laatste, hoe vreemd het ook lijkt, meer bevrediging zou geven.

Er is niet veel aan om van jezelf en anderen voortdurend een karikatuur, al of niet geflatteerd, te maken. Niets wordt er duidelijker van. Niets wordt er door opgelost.

Ik denk vaak dat de mensen die voortdurend op Facebook en Twitter in de weer zijn, zich helemaal gek vervelen, ook al zijn ze dan de hele tijd bezig. Ze zijn bezig met lucht en leegte. „Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen”, staat in het bijbelboek Prediker, en het is helaas maar al te waar.

Als je zulke analyses leest en maakt, kun je makkelijk instemmend knikken om eigen en andermans woorden. Maar een punt zou ook moeten zijn: en ik dan? Niemand staat geheel buiten de eigen tijd. Zoals je zelf ook onderdeel bent van ‘de barbaren’ van Allessandro Barrico, de barbaren die liever dan zich te verdiepen en te specialiseren een grote olievlek van met elkaar verbonden ervaringen nastreven, zo zul je zelf ook wel onderdeel zijn van de persoonlijkheidstirannie, de intellectuele luiheid, de desinteresse voor het publieke belang. Dat je kritiek hebt op de veranderingen wil nog helemaal niet zeggen dat je er geen deel van uitmaakt.

Het is nu eenmaal makkelijker om over personen te praten dan over ideeën – in ideeën moet je je verdiepen, de uitspraak van een persoon is maar al te gemakkelijk belachelijk te maken. En dat je jezelf er een air bij geeft van cultuurcriticus maakt het niet diepzinniger.

Richard Sennett is daar geen voorbeeld van, haast ik me te zeggen, die is juist interessant omdat hij zich wel heeft verdiept in de zaken waar hij het over heeft, omdat hij onderzoek heeft gedaan.

Onderzoek doen levert een zekere vertraging op, het is iets heel anders dan direct per Twitter je belangwekkende mening de wereld in schieten. Dat weet iedereen. Verschillende kranten schreven een week na de brand in Moerdijk dat de reacties wel wat érg opgewonden waren geweest, dat onderzoek naar de samenstelling van het roet en het neerslaande stof enz. logischerwijs even tijd neemt. Intussen waren we wel allemaal door het dolle geweest en hadden veel ‘schande!’ geroepen. En als ik er zelf had gewoond, daar in de buurt van Moerdijk, was ik ook erg opgewonden geweest en kwaad op ‘de politiek’. Dat is begrijpelijk al is het niet per se terecht.

„Macht en autoriteit worden van elkaar gescheiden”, zei Sennett ook nog. Dat is waar. De werkelijk machtigen, de directeuren van grote bedrijven bijvoorbeeld, zijn onzichtbaar, het zijn geen publieke autoriteiten. Die laatsten roepen vooral heel hard dat er meer, strenger, harder enz.

Stil en aandachtig werken, zowel privé als openbaar, is een erg onderschatte deugd. Je moet ‘zichtbaar’ zijn.

Onzichtbaar, maar aanwezig op de plaats waar je bent, is misschien toch beter.