Mijn vader, de architect

Do Van Ranst: Mombakkes. Uitgeverij Davidsfonds/Infodok € 15,95,168 blz.

Frank heeft een groot hoofd, net als zijn vader. Frank wil architect worden, net als zijn vader. En zijn grootvader en overgrootvader. ‘Wij zijn vier generaties grote hoofden waar veel cijfers, oppervlakten, afstanden en berekeningen in kunnen.’ Op mooie avonden maken Frank en zijn vader een ritje door het dorp langs alle huizen die de Van Beemts hebben ontworpen.

En er zit nog meer in dat hoofd van vader behalve de afmetingen van alle huizen in het dorp. Familiegeheimen.

Maar op vastenavond, de avond vóór aswoensdag wanneer carnaval is afgelopen, mag alles worden gezegd. Alles, ook de waarheid over de familie. Tenminste, door de ‘vastenavondgekken’ die langskomen in het huis van de familie van Frank. Wie de gekken zijn, dat is onbekend. Ze zijn verkleed, dragen een masker, een mombakkes, en voeren een toneelstukje op.

De kunst is te raden wie erachter schuilgaat. Meestal is het om te lachen, wat de verklede gasten opvoeren. Maar deze avond is de sfeer grimmig.

Het jeugdboek Mombakkes van de Vlaamse auteur Do Van Ranst (1994) is al een poosje uit. Nu de carnavalstijd in het verschiet ligt, is dat een prima gelegenheid om Mombakkes onder de aandacht te brengen. Het is een mooi en secuur geschreven verhaal over een familie in een Vlaams dorp in de jaren zeventig. Of beter gezegd: over vader-zoonrelaties binnen de muren van een Vlaams huis.

Het is uit liefde, denkt Frank, als vader zijn tekeningen verscheurt om een poster van het New Yorkse Guggenheim-museum op te hangen. Het was zijn eigen stomme schuld dat hij niet op de naam van de architect ervan (Frank Lloyd Wright, dat u het weet) kon komen. Het valt zijn vader dus niet te verwijten dat die boos werd, en Franks vingers tussen de autodeur klapte.

Is het strenge liefde of mishandeling? Juist de dubbelzinnigheid maakt het verhaal sterk, al is het jammer dat de spanning in Mombakkes tegen het einde wat wegglipt.

Do Van Ranst, die in België al veel prijzen kreeg voor zijn werk, schrijft prachtig en compact. ‘Over enkele uren zijn de stemmen niet meer dan een smeulend vuurtje dat nu en dan nog een keer wordt aangewakkerd door een eenzaat die speeksel schreeuwt [...]’ Dat is natuurlijk de taal van de vroegwijze Frank, maar het is de vraag of de lezers van vijftien jaar (en ouder: de doelgroep) daar al even makkelijk langs laveren.