Met dank aan Mao: 45.000.000

Mensen aten modder en een jongen die een aardappel opgroef, werd voor straf levend begraven. Welkom in de tijd van Mao’s Sprong Voorwaarts, nu uitgebreid gedocumenteerd.

Frank Dikötter: Mao’s Great Famine. The History of China’s Most Devastating Catastrophe. Bloomsbury, 448 blz. € 34,-.

Het is in China – waar met de jaarwisseling boeken verschenen over ‘Vet China’ en de kranten op zorgelijke toon over de toename van het aantal zwaarlijvige jongeren schreven – nauwelijks voorstelbaar dat een halve eeuw geleden 45 miljoen mensen stierven van de honger. Van 1958 tot 1962 richtte Mao Zedong China bijna te gronde met zijn Grote Sprong Voorwaarts, een communistisch experiment om agrarisch China snel te industrialiseren.

De zwartste periode in de geschiedenis van de Volksrepubliek China is nog altijd een taboeonderwerp. Er zijn geen musea, geen monumenten en op scholen, in geschiedenisboeken en talrijke historische documentaires wordt de Grote Sprong Voorwaarts uiterst summier behandeld, of er wordt over gelogen.

Toch gaan, zonder daar veel ruchtbaarheid aan te geven, de archieven over die periode open. Dat blijkt uit Mao’s Great Famine van de Nederlands/Britse sinoloog Frank Dikötter die daarmee wat betreft de Engelstalige media en ‘China-watchers’ het beste boek over moderne Chinese geschiedenis in jaren heeft geschreven.

Dikötter, verbonden aan de universiteiten van Hongkong en Londen, kreeg toegang tot de archieven van de grote provincies in het zuiden en het midden van China. De centrale archieven van de Communistische Partij van China (CCP) in Peking bleven voor hem gesloten, maar op basis van de brieven, notities, notulen en verslagen van regionale veiligheidsdiensten komt hij tot de conclusie dat niet zoals eerder gedacht rond de 30 miljoen mensen het leven lieten in dit maoïstische experiment, maar 45 miljoen (op een bevolking van 650 miljoen).

Het beeld van geïnstitutionaliseerde massamoord, onvoorstelbare verspilling, collectieve gekte en militant marxisme rijst op uit de documenten die Dikötter heeft ingezien. Mao Zedong, een boerenzoon zonder veel opleiding, had van economie en internationale verhoudingen nog minder verstand dan de huidige leider van Noord-Korea, Kim Jong-il. Toch meende hij dat China door grootschalige agrarische en industriële hervormingen in korte tijd meer staal, graan en andere goederen zou kunnen produceren dan Groot-Brittannië.

Dikötter citeert in een strakke, heldere stijl uitvoerig uit de verslagen van lokale partijbestuurders die nauwgezet bijhielden wat er in hun districten en provincies gebeurde. Hoe mensen modder aten in plaats van rijst, of hun kinderen in plaats van graan, en hoe een jongen die een aardappel uit de grond groef door zijn vader levend begraven moest worden: het is allemaal gedocumenteerd.

Mochten er onder historici en sinologen nog twijfels bestaan over de mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts, dan zijn die door Dikötter weggenomen. In die zin past Mao’s Great Famine in de lijn van boeken die eerder over dit thema zijn gepubliceerd, maar onderbouwing met Chinese overheidsdocumenten miste.

Dikötter plaatst de hongersnood van 1958-1962 ook in de Chinees-Russische verhoudingen van die tijd. Na Stalins dood zag Mao zichzelf als leider van alle communisten ter wereld. Tegelijkertijd stond China zwaar in het rood bij de Sovjet-Unie.

Uit Dikötters onderzoek blijkt dat Moskou, anders dan altijd beweerd, helemaal geen haast had met het innen van de 1.407 miljard roebel die Stalin aan Mao had geleend om de Volksrepubliek te stichten.

China zou die schulden in zestien jaar tijd mogen afbetalen, maar voor Mao was dat niet te rijmen met zijn ideologische en machtspolitieke ambities. Trots, status en ‘gezicht’ speelden sleutelrollen in zijn besluit om de schulden af te lossen in de vorm van graan-, katoen- en kookolieleveranties aan de Sovjet-Unie. Tegelijkertijd voorzag hij ook Albanië, Oost-Duitsland en Noord-Vietnam van graan en rijst. Voor de noden van zijn eigen bevolking had hij geen oog: ‘Als er niet genoeg te eten is en mensen sterven van de honger, dan is het beter de helft van hen te laten sterven zodat de anderen kunnen eten.’

Dikötter brengt het einde van de Grote Sprong Voorwaarts en Mao’s andere, rampzalige experiment, de Culturele Revolutie (1967-1977), met elkaar in verband via de persoon van Liu Shaoqi. Liu was wat nu de premier van het land genoemd zou worden. Eerst steunde hij de Grote Sprong Voorwaarts, maar toen de omvang van de catastrofe voor hem duidelijk werd, begon hij Mao tegen te werken. Eerst met succes, want Mao staakte het experiment. Vier jaar later nam hij echter wraak door studenten te mobiliseren tegen de oude garde van de CCP, onder wie Liu. Volgens Dikötter was Liu de reden waarom Mao de Culturele Revolutie lanceerde. Liu stierf in 1974 onder erbarmelijke omstandigheden aan kanker.

Mao’s Great Famine lezen in het steeds welvarender China van 2011 is een ervaring op zichzelf. Niemand onder de veertig weet van deze periode, ouderen daarentegen geven meestal de Russen of het weer de schuld van de hongersnood. Mao is in dat opzicht nog altijd onaantastbaar, hem wordt weinig kwalijk genomen.

Combineer de Grote Sprong Voorwaarts met de herinneringen aan de Japanse bezetting (1937-1945), de Culturele Revolutie en de slachting van juni 1989 op het Tiananmenplein en het wordt opnieuw duidelijk waarom de angst voor politieke experimenten en de afkeer van ideologieën in China zo diep geworteld zijn.