Leve het stadsgezelschap!

In Duitsland zijn stadsgezelschappen een groot succes. Het zou een goed idee zijn als verschillende theatergezelschappen in Nederland zich hierdoor laten inspireren. Fuseren?

Op zaterdagavond 25 september 2010 werd in de Amsterdamse Stadsschouwburg theatergeschiedenis geschreven. De voorstelling Richard III was een toonbeeld van samenwerking. Allereerst tussen de Amsterdamse Stadsschouwburg en het gezelschap Orkater. Bovendien trad de rockband The Sadists op die de titelheld begeleidde met songs van Tom Waits.

Hoofdrolspeler Gijs Scholten van Aschat, die Richard III speelde, was lange tijd verbonden aan de Haagse Comedie, het Nationale Toneel en Orkater. Er deden freelanceacteurs mee die nog bij de Nederlandse Comedie en Baal hadden gespeeld. Leerlingen van de toneelschool gaven acte de présence. Spelers, stijlen, regie, muziek en dramaturgie waren prachtig vervlochten tot één geheel.

Dit alles geeft Richard III nu al een belangrijke plek in de toneelgeschiedenis, alleen al omdat deze voorstelling een lichtend voorbeeld is van coöperatie. Al decennialang kampt het Nederlandse toneel met een overaanbod. Er zijn honderden kleine en grote groepen, die angstvallig hun identiteit bewaken. Maar waarom hebben we zoveel groepen, van Monk tot The Glasshouse, van Dood Paard tot De Voortzetting, van MC Theater tot M-Lab Productie? Is het zoals Van Hove vaststelde in zijn rede dat je „in Nederland pas een theaterpersoonlijkheid bent als je een eigen groep hebt opgericht?” Het lijkt er wel op.

Het aantal premières van toneel- en dansvoorstellingen loopt voorbij de duizend. Aan de ene kant is dat toe te juichen. Maar deze overvloed aan voorstellingen en gezelschappen maakt het toneellandschap zelfs voor ingewijden wel heel onoverzichtelijk. En ook in de toneelwereld heerst hierover onvrede.

Samenwerking en zelfs fusering tussen gezelschappen zou het Nederlandse theater goed doen. Maar tot nu toe is dit niet bespreekbaar. Ieder bewaakt zijn eigen terrein en daarmee zijn eigen, veelal gesubsidieerde bestaan. Toch is meer samenwerking geboden wil het Nederlandse toneel niet te gronde gaan aan het verschil tussen vraag en aanbod.

Wat Richard III liet zien is dat samenwerking tot hoog artistiek niveau leidt. Maar een fusie is het niet. Dat zou namelijk betekenen dat bijvoorbeeld Orkater en Toneelgroep Amsterdam, de vaste bespeler van de Stadsschouwburg, in elkaar zouden opgaan. Iets waar regisseur Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam al eerder voor pleitte in zijn rede De Staat van het Theater (2006).

Hiermee komt de droom van een aantal theatermakers, onder wie Van Hove zelf en Theu Boermans, in zicht: Nederlandse toneelgroepen zouden grote, toonaangevende en onmiddellijk herkenbare stadsgezelschappen moeten worden, zoals dat het geval is in Duitsland en Oostenrijk. Zo’n stadsgezelschap, dat tevens de eerste bespeler is van de stadsschouwburg, biedt vele voordelen. Het gezelschap kan er repeteren, de try-outs uitbrengen en de voorstellingen spelen.

Wellicht dat in Nederland de vrees bestaat dat een groot stadsgezelschap zoveel macht zou hebben, dat het de kleinere zou verdringen. Maar die angst is ongegrond. Ten eerste wordt het voor de bezoeker alleen maar overzichtelijker als hij in de toekomst uit een kleiner aanbod van voorstellingen kan kiezen. Ook het argument dat theatergezelschappen nu eenmaal uit gescheiden werelden bestaan, gaat niet meer op. Wie vroeger bijvoorbeeld in Den Haag naar De Appel ging, meed de Schouwburg met de Haagse Comedie. Maar die vorm van segregatie is allang voorbij en staat dus een fusie tussen beide gezelschappen niet meer in de weg.

Volgens het Duitse model wordt er overigens ook veel gebruikgemaakt van parallelle programmering, iets wat het in Nederland ook goed zou kunnen doen in het geval dat fusering een te grote aanslag is op de onafhankelijkheid van de afzonderlijke gezelschappen.

Het Nationale Toneel speelt nu Goethes tragedie Faust I&II uit 1808/1832. Waarom zouden dan niet in het Appeltheater bewerkingen van hetzelfde stuk kunnen komen? Die zijn er volop. Maak van Den Haag gedurende deze periode één Faust-stad, geëntameerd door stadsgezelschap het Nationale Toneel. Ook zouden in Rotterdam het Ro Theater en het Onafhankelijk Toneel tot coördinatie kunnen komen. En in Arnhem bijvoorbeeld Toneelgroep Oostpool en Keesen&Co. Voorwaarde is dat de betrokkenen, zowel artistiek leiders, acteurs en technici, tot een nieuw samenspel dienen te komen. Dat moet toch mogelijk zijn?

Het woord ‘stadsgezelschap’ is overigens minder recent dan veel mensen denken. Op 31 mei 1991 stond het begrip, zover bekend, als eerste gemunt in de kolommen van deze krant. Het Ro Theater gaf destijds aan een stadsgezelschap te willen worden dat „een breed publiek uit de stad bereikt”. Als we in Nederland een stadsgezelschap naar Duits model zouden opzetten, dan zou het de opdracht krijgen dat het ensemble zich manifesteert in de stad en samenwerkt met theaterscholen. Idealiter zou zo’n stadsgezelschap verder fuseren met kleinere groepen, die onder de paraplu van het grotere gezelschap producties uitbrengen. Dat zou gebeuren in de schouwburg van de stad en in de kleinere zalen. In deze constructie beschikken ook middelgrote steden over een eigen gezelschap. Concreet betekent dit plan dat alle Nederlandse toneelgezelschappen fusie moeten overwegen.

En dan nu de laatste stap. Een stadsgezelschap in zijn eigen theater is niet alleen een huis voor zijn bewoners en bezoekers maar ook een genereus bouwwerk voor voorstellingen. Een stadsgezelschap kan, hiertoe geïnspireerd door het Duitse Stadttheater, uitvoeringen van eigen signatuur op repertoire houden. In Nederland is het gebruikelijk dat een voorstelling door welk willekeurig gezelschap dan ook een beperkte speelperiode heeft, soms niet meer dan twintig of dertig keer. Daarna moet op diezelfde plek in de schouwburg weer iets nieuws komen en is die speelronde is de voorstelling definitief voorbij.

Maar in Duitse theaters keren voorstellingen seizoen na seizoen terug. Op de speellijst ofwel het repertoire van Schauspiel Hamburg staan voorstellingen die vele jaren geleden in première gingen. De bezetting kan wisselen, maar de voorstelling ís er. Theu Boermans noemde dit ooit „een levende theaterbibliotheek”. Ook voor dit laatste valt veel te zeggen, het betekent dat een stadsgezelschap het hele seizoen door het toneelaanbod in de eigen schouwburg bepaalt. Dinsdagavond een tragedie, woensdag een Shakespeare, donderdag een blijspel, vrijdag een Beckett en zaterdag muziektheater. Om maar iets te noemen. En altijd door hetzelfde ensemble gebracht. Toneelspelers zouden daar geen moeite mee moeten hebben, integendeel zelfs. Juist het spelen van verschillende genres kort achter elkaar biedt namelijk veel inspiratie.

Kortom, of theatergezelschappen nu in de toekomst afstevenen op een betere samenwerking of bereid zullen zijn tot fusie over te gaan: in beide gevallen is het alleen maar goed voor het Nederlands toneel.