Ja, ze hebben wat teweeggebracht

Komend weekeinde rijdt Jan Bos zijn laatste WK sprint.

Hij is na Erben Wennemars en Gerard van Velde de laatste van de uitzonderlijke generatie sprinters die stopt.

Erben Wennemars filosofeert bij de koffieautomaat in de kantine van ijsstadion Thialf in Heerenveen wat over het WK sprint van komend weekeinde. Opeens onderbreekt de oud-kampioen, tegenwoordig analyticus voor de NOS, zijn betoog en draait zich om. „Ha Jan.” Een hartelijke begroeting voor zijn voormalig ploeggenoot en vriend Jan Bos, die net klaar is met een van de laatste trainingen voor het WK sprint. „Hoe gaat het?” „Het gaat echt goed, joh”, zegt Bos met een glimlach. „Van het weekend nog een lekker duizendje gereden. Opening 16,8 en daarna 600 meter een beetje pielen. De snelheid komt makkelijk, ik raak ze goed.”

Allebei 35 zijn ze inmiddels, op het kruispunt van stoppen of doorgaan. Wat maakten ze samen niet mee? Bos, in 1998 in Berlijn de eerste Nederlandse wereldkampioen sprint, Wennemars als zijn populaire sidekick. Het introverte supertalent en de extraverte werker. Ze dronken bier en margarita’s op de speedboot van hun coach Peter Mueller in Lake Havasu, waren vrienden voor het leven. Tot de miljoenen van DSB en SpaarSelect de schaatssport overspoelden en zelfs het voorheen onafscheidelijke duo tegenover elkaar kwam te staan. Met hun aanhoudende successen normaliseerden de verhoudingen. Maar nooit kwam het nog verder dan een toevallige ontmoeting langs de baan.

„Ga je echt stoppen, Jan”, vraagt Wennemars, die vorig jaar net naast olympische kwalificatie greep en afscheid nam bij de NK kortebaan. „Dit wordt mijn laatste WK sprint”, antwoordt Bos beslist. „Ik geniet er enorm van dat ik nu dit hoge niveau nog haal. Dat maakt het misschien een beetje dubbel om te stoppen. Maar ik weet gewoon zeker dat ik het volgend jaar zeker niet zo goed zal doen als nu. Het is mooi geweest. Ik kan er zelfs wel een beetje naar uitkijken dat ik na dit seizoen stop.”

Moeilijk te geloven voor een buitenstaander, die van nabij ziet dat topatleet Bos nog in blakende vorm is. Wennemars begrijpt wel wat Bos bedoelt. „Als je het zo voelt, moet je ook stoppen. Dat is wel een mooie manier. Bij mij kwam het einde iets eerder dan verwacht. Maar ik moet zeggen dat ik me niet afvraag of ik me er nog tussen had kunnen rijden. Bij het EK in Collalbo roep ik wel wat over droef niveau, maar dan bekijk ik het van buitenaf. Ik misgun de jongens niks, ik ga dit weekend gewoon genieten van een fantastisch WK.”

Twaalf jaar geleden lagen ze samen in hotel Kienberg in Inzell, schoenen aan in een tweepersoonsbed. Brinta en kleding over de vloer, mister Bean in de video. Ineens sprak Bos in plaats van spraakwaterval Wennemars. „Wij hebben binnen één jaar het sprinten populair gemaakt, samen met Marianne Timmer en Jakko-Jan Leeuwangh. Dat kwam doordat er nooit iets van sprinten was geweest in Nederland. Ik hoop dat wij een voorbeeld zijn voor de jeugd. Zodat die niet meer automatisch gaat allrounden.” Noem het een hoger doel. Bos, toen: „Je wilt wat teweegbrengen.”

Bos – naast wereldkampioen sprint ook twee keer olympisch zilver op de 1.000 meter, goud bij de WK afstanden in 1999 en zes keer nationaal kampioen sprint – is de laatste van de uitzonderlijke sprintgeneratie die stopt. Wennemars werd twee keer wereldkampioen sprint, won vijf keer goud bij WK afstanden, behaalde twee keer olympisch brons en drie nationale sprinttitels. „En vergeet hem niet”, zegt Wennemars met een knikje naar een tafeltje met Gerard van Velde, olympisch kampioen en zes nationale sprinttitels.

Inmiddels is de Nederlandse top op de sprint breder dan bij het allrounden. Een paar dagen voor het WK streden vier kanshebbers nog om de laatste startplek. Kjeld Nuis (21) won, een jonge schaatser die de keuze kan maken voor sprint en middenafstand. Zoals titelkandidaat Stefan Groothuis, Simon Kuipers en Beorn Nijenhuis na een allroundjeugd een carrière als sprinter konden opbouwen. Ja, ze hebben wel wat teweeggebracht, beamen Bos en Wennemars.

Liever kijken ze vooruit naar het WK in Thialf, waar Bos in 1996 ook debuteerde. „Werd ik 24ste, met 37,94 op de 500 en 1.15,6 op de 1.000 meter. Op gewone schaatsen.” Na 2006 (derde) en 2008 (val) wordt het zijn vierde WK sprint in Heerenveen. „Ga je nog voor het podium?”, vraagt Wennemars. Bos wijst op de tegenstand van Davis, Groothuis en de Koreanen, Wennemars knikt. „Je weet dat de echte top er niet in zit, maar je bent nog goed genoeg om het beste uit jezelf te halen.” Ze praten over de gloriedagen – die wedstrijd in Roseville 1997 en die tegenstander Greidanus in Alkmaar. Dan moet Bos weg. Naar het hotel? „Nee, naar huis”, zegt Bos, dit jaar zonder ploeg en meetrainend met de Italianen van Gianni Romme. „In je eentje in zo’n hotel, dat is echt ellende. Iedereen zit met zijn ploeg te eten en te lachen en ik zit in een hoekje tegen de verwarming gedrukt met mijn ontbijtje.”

Als hij wegloopt, roept Wennemars hem na. „Succes Jan, ik ga je het hele weekeinde ophemelen voor de tv.”