In Tunis blijven de betogers toestromen

In Tunis en elders komen steeds meer mensen op straat om te eisen dat ook de laatste resten van het regime van Ben Ali worden verwijderd.

Op de Avenue Bourguiba begint vandaag, ondanks de drie dagen nationale rouw die door de Tunesische regering zijn afgekondigd, de grootste betoging sinds de val van president Zine al-Abidine Ben Ali. De betogers richten zich eerst tegen het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat synoniem was voor de politierepressie onder Ben Ali. De huidige minister moet weg van hen, omdat hij deel uitmaakt van Ben Ali’s RCD, al heeft hij er gisteren formeel afstand van genomen. Later marcheren duizenden betogers de stad in.

„Alle concessies van de afgelopen dagen zijn pure maskerade”, zegt Dhia Khemissi, een jonge betoger. „Er is geen plaats meer voor mensen die heulden met Ben Ali. De minister moet opstappen.”

Na het vertrek van president Zine el-Abidine Ben Ali vorige vrijdag maakte Tunesië gistermiddag een ‘Berlijnse muur’-moment mee. Nadat duizenden betogers voor het eerst tot bij het gebouw van Ben Ali’s RCD-partij in het centrum van Tunis waren doorgedrongen, verschenen helemaal bovenaan het 17 verdiepingen hoge gebouw plotseling arbeiders die begonnen de Arabische letters te demonteren die de naam van de Rassemblement Constitutionnel Démocratique spellen. „Dit is historisch”, zegt een man ontroerd, „23 jaar lang, wat zeg ik, 50 jaar lang was het ondenkbaar dat wij hier zouden staan betogen.”

Bijna ging het toch nog fout: toen de betogers aanstalten maakten om het gebouw bestormen, schoot het leger in de lucht. Maar een officier slaagde erin de menigte te kalmeren door te roepen: „Dit gebouw is niet langer eigendom van de RCD; het behoort toe aan het Tunesische volk!”

Vanochtend is de glazen toren die ooit symbool stond voor de macht van Ben Ali helemaal leeg. Een handvol arbeiders is de grote rode letters in vrachtwagens aan het laden. Een soldaat vertaalt de slogan die op het hekken is aangebracht: „Het paleis van de revolutie van het Tunesische volk.”

De afgelopen week is voor Tunesië een spoedcursus democratie geweest. De betogers werden aan het begin van de week nog hardhandig aangepakt door de politie, maar geleidelijk zijn de betogingen steeds gemoedelijker geworden. Het zijn niet alleen meer de militanten van het vakverbond UGTT; ook gewone burgers, onder wie veel vrouwen, komen in steeds grotere aantallen naar het stadscentrum afgezakt om te eisen dat niet alleen Ben Ali, maar ook zijn partij volledig verdwijnt.

„Ze hebben ons bang gemaakt met geruchten over sluipschutters en plunderingen”, zegt de 16-jarige Salma Hosni. „Maar het zijn juist de agenten van Ben Ali die plunderen terwijl de bevolking voor de veiligheid zorgt.”

Salma mocht vorige week van haar ouders niet gaan betogen tegen Ben Ali – te gevaarlijk – en dat wil ze nu goedmaken. „Ik zag klasgenoten bebloed terugkeren van de betogingen; ze werden geslagen en ze gingen toch telkens terug. Maar vergis u niet: wij willen niets kapotmaken, wij willen iets opbouwen. Tot vorige week droomde ik van emigreren naar Frankrijk of Canada; nu wil ik hier blijven en zorgen dat Tunesië wordt zoals Frankrijk of Canada.”

En dat kan niet met deze regering vinden de betogers. „De revolutie is nog niet voorbij”, zegt Saoud Atef, een 23-jarige boekhouder. „Ze kunnen nu wel zeggen dat de RCD-ministers in de nieuwe regering schone handen hebben maar zij hebben wel jarenlang geprofiteerd van een systeem dat tegen het volk was. Daar moet een prijs voor betaald worden.”

Wat voor regering de Tunesiërs dan wel willen, dat weten de mensen hier op straat ook niet zo goed. Velen zeggen dat ze graag een regering van technocraten zouden zien, in afwachting van verkiezingen, maar namen kunnen ze daar niet op plakken.

„Het Tunesische volk heeft Ben Ali verjaagd”, zegt Chaker Boughanni, een jonge werkloze. „En de president van Tunesië is Mohammed Bouazizi”, in een verwijzing naar de man die op 17 december in Sibi Bouzid zichzelf in brand stak uit protest tegen de werkloosheid en daarmee de opstand tegen Ben Ali op gang bracht.

Behalve in Tunis wordt ook in andere steden betoogd. In Gafsa kwamen gisteren drie- tot vierduizend mensen op straat, en ook in Sfax, Kef en Sidi Bouzid werd er betoogd. De regering reageert daarop door elke dag een kleine concessie te doen: eerst zegden interim-president Fouad Mebazaa en premier Mohammed Ghannouchi hun lidmaatschap van de RCD op; gisteren verscheurden alle RCD-ministers hun partijkaart.

Sommige oude gewoonten blijken moeilijk af te leren. Politiemannen in burger fotograferen betogers en proberen interviews af te luisteren.

„De politieagenten die hier nu rondlopen zijn dezelfde die ons vorige week geslagen en vernederd hebben”, zegt de 30-jarige lerares Youssra Slim. „Dit is een periode van afwachten. We zijn nog niet helemaal zeker wat het wordt.”

Het verschil, zegt Salma fel, „is dat het ons niets meer kan schelen. Laat ze ons fotograferen en afluisteren. We gaan in geen geval terug naar hoe het vroeger was.”