Ik ren en ik slaap met pasta en bier

Gideon Zadoks rent zogenaamde ultratrails van meer dan 100 kilometer.

Door de bergen rennen is leuk. Langer door de bergen rennen is leuker.

Pas na ruim een uur praten zegt Gideon Zadoks (44) iets over hoe hij dat aanpakt, extreem lange afstanden rennen door onbegaanbaar terrein. En pas na nog een half uur laat hij iets los over waarom hij in hemelsnaam regelmatig zogenoemde ultratrails loopt: tientallen of zelfs honderden kilometers door de bergen of heuvels, soms dagen achter elkaar. Daarvoor benadrukt hij vooral dat het gewoon leuk is. „Door de bergen rennen is leuk. Langer door de bergen rennen is leuker.” Dat ging over een wedstrijd die hij dit jaar liep, over 330 kilometer. Hij is ook bescheiden: „Het is niet zo bijzonder, hè. In de negentiende eeuw was iedereen tien, veertien uur per dag fysiek bezig. Dat dit soort dingen als extreem wordt gezien, zegt meer over hoe wij tegenwoordig tegen fysieke activiteit aankijken dan over wat het nou werkelijk inhoudt.”

En Gideon Zadoks praat over Afrika en leven in Frankrijk, waar hij nu zeven jaar woont.

Waarom verhuisde u naar Frankrijk?

„ Daar ben ik een beetje bij toeval terecht gekomen. Ik ben meubelmaker. Ik had een beperkt budget, en in Frankrijk kun je met een beperkt budget wel heel erg buiten wonen. We wonen net buiten een dorpje in de Limousin, in een oude molen tussen de weilanden en het bos. Dat is voor kinderen heel fijn, die moeten een beetje buiten opgroeien.”

Ging u ook voor de sport?

„Nee, daar ben ik later mee begonnen. Ergens na mijn veertigste, toen ik wat meer tijd had. Het huis was op orde, de werkplaats gebouwd. Tijd om weer eens hard te lopen. Bovendien: als ik twee dagen stilzit voel ik me fysiek beroerd. Je hele fysiek is gemaakt om te bewegen. Het begon met het idee dat ik weer eens een marathon ging lopen. En dat liep gewoon een beetje uit de hand.”

Dat klinkt luchtig, weer eens een marathon lopen?

„Je moet genetisch een beetje geluk hebben. Ik was een paar maanden aan het trainen toen er in de buurt een trail was. Ik had geen idee wat dat was, maar ik dacht; dat is vlakbij, daar ga ik heen. De trail was dertig kilometer. maar ik was vergeten dat het midden in de winter was, en dat ik ook nog een paar bergen over moest. Er lag een halve meter sneeuw, en ik moest ook nog bergop. Toen ging ik maar een beetje rennen, en dat ging vrij aardig. En ik vond het verschrikkelijk lollig. Toen ben ik op internet gaan kijken wat er nog meer is in die categorie, ik liep er nog een. Vervolgens ging ik kijken naar langere afstanden. Toen heb ik een keer vijftig kilometer gelopen. Heel mooi, in de natuur, en dan doe je natuurlijk alles verkeerd wat je verkeerd kunt doen.”

Verkeerd?

„Er wordt in Frankrijk op sites veel over ultratrail geschreven door wetenschappers: wat je moet eten, drinken, hoe je tempo moet zijn, hoe je moet trainen – van alles. Daar had ik me helemaal niet in verdiept. Maar het ging nog niet zo slecht.”

Waarom wilde u nog langer lopen?

„Niet om mijn grenzen te verleggen. Dat vind ik tamelijk nietszeggend. Ik vind trialrennen gewoon leuk. Ik vind pas iets lang als het dag-nachtritme een rol gaat spelen, boven de honderd kilometer. Dat is magisch: als je de hele nacht hebt doorgelopen en de zon komt op, en je bent aan het rennen door een waanzinnig landschap. Ik had een paar keer de Ultra-Trail du Mont-Blanc gelopen, het officieuze wereldkampioenschap trailrunnen: 165 kilometer, 9.500 hoogtemeters, rond de Mont Blanc. Daarna hoorde ik van de Tor de Geants: 330 km met 24.000 hoogtemeters, alles tussen de 300 en 3.300 meter...”

Wacht even, dat is drie keer de Mount Everest omhoog!!!

„Ja! En ik dacht – dat is lollig. Als je door de bergen rennen leuk vind, is langer door de bergen rennen leuker.”

Ben je onder trailrunners een freak, als je dat leuk vindt, of een held?

„Dat laatste. Je moet wel stevig in je schoenen staan wil je je daarvoor durven inschrijven. De verwachting was dat 25, 30 procent het zou uitlopen, maar ruim de helft heeft het gehaald. Dus zo moeilijk kan het niet zijn.”

Maar vond u het moeilijk?

„Nou, ik moest wel veel uitzoeken. Zoals bedenken wanneer je slaapt. Ik heb er bijna 110 uur over gedaan, dus 4,5 dag. Daarvan heb ik een kleine tien uur geslapen. Mijn plan was om de eerste basis over te slaan, en tussen 1.00 en 2.00 ergens in een schuurtje te slapen. Dat werkte niet, ik sliep niet, en dus ging ik na een uurtje maar weer verder. Een halve dag later dronk ik bij weer zo’n basis een bier, ik at een bord pasta en ging een uur slapen. Er werd veel bier gedronken tijdens die wedstrijd. Gek he, dat verwacht je niet. Ik moet er niets van hebben, maar ik wilde echt even slapen, en dat gaat beter met bier en pasta. Dus daar maakte ik ter plekke een ritueel van voor de race: iedere basis even bier drinken, eten en slapen.”

Was u trots op deze race?

„Ja, hier was ik wel trots op. Ik was de dag ervoor zo ziek als een hond, ik had de hele dag kotsend in mijn auto gelegen. Toch de onbewuste stress. Ik had 24 uur voor de start niets meer gegeten. Dan kan het alleen maar beter worden, dacht ik. En het werd beter. Het gaat pas niet als het echt niet gaat.”

Het was dus zwaar. Doet u het dan nog een keer?

„De eerste twee weken erna dacht ik: nooit meer. Maar drie weken later was het alweer anders. Toen dacht ik: dat moet toch wel een beetje beter kunnen. En zo oud ben ik nog niet. Fysiek kun je dit tot hoge leeftijd doen. Onder de ultrarenners in Frankrijk ben ik heel gemiddeld. Begin 40, getrouwd, twee kinderen. Het enige verschil is dat ik geen modale baan heb.”

Is dat een bezwaar?

„Ik doe bijvoorbeeld niet aan gadgets. Daar houd ik al niet van, maar ik kan het ook niet betalen. Als je ziet waar mensen mee rondlopen: stokken van 200 euro zijn natuurlijk beter dan stokken van drie tientjes. Ik had gewoon oude skistokken op een rommelmarkt gekocht. En een oud spaflesje werkt net zo goed als een flesje van 20 euro. Gadgets zijn gewoon onzekerheidsbestrijding. Ik heb wel vier paar schoenen, maar die koop ik in de uitverkoop. Sommige lopen wat lekkerder, daar loop ik de wedstrijden op, en de anderen komen ook wel op.”

Het gesprek is eigenlijk al afgelopen, we wachten op de rekening, als ik nog een keer naar zijn ervaringen in Afrika vraag. Gideon Zadoks werkte als reisleider in Afrika toen in Rwanda de burgeroorlog uitbrak. Hij meldde zich bij Artsen zonder Grenzen en begon als manusje van alles. „En dat liep uit de hand”, zegt Gideon, net als met het ultrarennen. Binnen de kortste keren was hij verantwoordelijk voor logistiek in oorlogsgebieden.

„De eerste keer dat iemand een geweer tegen mijn hoofd hield was dat heel vervelend. En daarna weet je: dat hoort bij het ritueel. De derde keer dat je hoort ‘jij bent nu mijn gegijzelde’ is het nog steeds niet leuk, maar je interpreteert het anders.”

U bleef er heel lang.

„Om de intensiteit. Het is te vergelijken met rennen: soms zit ik er compleet doorheen, en dan weet ik niet hoe ik van ellende mijn ene been voor het andere moet zetten. Maar ik weet ook dat het weer over gaat. Dat maakt het interessant. Die hoogte- en dieptepunten.”