Het nieuwe brandpunt van de 21ste eeuw

Deze week tastten Obama en Hu Jintao tijdens hun ontmoeting de geopolitieke toekomst af. Hoe ziet die eruit? Besef dat China de grootmacht van de 21ste eeuw is, en handel ernaar, aldus journalist Robert Kaplan en econome Dambisa Moyo. Maar wat betekent dat voor het Westen?

Robert D. Kaplan: Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten. Vertaling Margreet de Boer, Spectrum, 415 blz. € 25,-

Je hoeft de globe maar een beetje te draaien, of je blik op de wereldkaart iets te verschuiven, om te zien waar in de nabije toekomst de grote politieke krachtmetingen zich zullen voordoen. Niet in het Midden-Oosten, niet in Afghanistan en Pakistan en ook niet rondom het Koreaanse schiereiland of Taiwan.

Volgens de Amerikaanse journalist en essayist Robert Kaplan moeten we afleren op de wereldkaart meteen te kijken naar continenten, subcontinenten en landen. Want in dit tijdperk van globalisering ligt het zwaartepunt op zee. De spil van deze eeuw zal de Indische Oceaan zijn, is het prikkelende uitgangspunt van zijn boek Moesson; De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten.

Zoals de 20ste eeuw draaide om de kaart van Europa, zegt Kaplan, zo zal deze eeuw bepaald worden door wat zich afspeelt op en rond deze grote watervlakte, die grofweg wordt ingesloten door Oost-Afrika, het Arabisch Schiereiland, Zuid-Azië en Indonesië. Dankzij de voorspelbare winden van de moesson liepen hier al eeuwen geleden belangrijke scheepvaartroutes. Het was een kruispunt van culturen, en dat is het nog steeds.

Dat de Indische Oceaan bovendien het geostrategische brandpunt van de 21ste eeuw wordt, komt, als we Kaplan mogen geloven, niet alleen doordat hier de belangrijkste scheepvaartroutes voor ruwe olie en andere belangrijke grondstoffen lopen, of doordat langs de randen van deze oceaan de brandhaarden van moslimextremisme liggen. Dat komt vooral doordat hier de rivaliteit zal worden uitgespeeld tussen de opkomende machten China en India en, nog belangrijker, tussen China en supermacht Amerika.

Kaplan houdt van grote beweringen over waar het heen gaat met de wereld. Hij beschikt over ‘geopolitieke verbeeldingskracht’, zoals de voormalige Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski het formuleert op de achterflap van de Amerikaanse editie van Moesson. Dat betekent dat Kaplans redeneringen soms mank gaan aan al te grote stelligheid. Maar vaak leveren ze wel een vruchtbare impuls op voor het politieke debat over ingrijpende, maar niet altijd evidente ontwikkelingen in de wereld.

Zo baarde Kaplan in 1994 veel opzien met een intens somber artikel in het maandblad The Atlantic Monthly getiteld ‘The Coming Anarchy’. Daarin schreef hij dat de chaos die heerste in landen als Liberia en Sierra Leone een voorbode was voor de rest van de wereld. Aan de randen van grote steden overal in de Derde Wereld ontwaarde hij steeds meer dichtbevolkte, zwaar vervuilde en almaar uitdijende krottenwijken, waar straatarme massa’s dicht op elkaar gepakt een uitzichtloos bestaan leidden, vol onrecht

Centraal Azië Vervolg op pagina 2

Centraal Azië

en geweld. We moeten ons realiseren, stelde hij, dat oorlog en anarchie voor steeds meer mensen op deze planeet een stap vooruit betekenen.

Dat was volgens Kaplan hét grote strategische gevaar voor de komende decennia. Toen hij het artikel twee jaar later uitwerkte tot een boek (The Ends of the Earth), bleek dat hij zijn visie aanmerkelijk had genuanceerd. Hij voorspelde de wereld nog steeds veel onrust en geweld, maar erkende ook dat veel van de spanningen, chaos en ellende juist ontstaan omdát het in grote lijnen beter gaat – alleen gebeurt dat vaak op een onrechtvaardige en aanvankelijk voor velen onverteerbare manier.

Ook aan Moesson ging een veel stelliger tijdschriftartikel vooraf, dat in 2005 verscheen onder de titel ‘How We Would Fight China’. De opiniebijlage van deze krant nam het stuk over met de kop We moeten ons voorbereiden op een Koude Oorlog tegen China. De Chinese marine, stelde Kaplan, ligt klaar om de Grote Oceaan op te varen, waar nu de Amerikaanse vloot nog dominant is. De confrontatie tussen de twee grootmachten zou een Tweede Koude Oorlog veroorzaken, die zo maar generaties kon gaan duren.

Maar Kaplan is geen leunstoelgeneraal. Hij is een journalist die erop uittrekt, om zich heen kijkt en met mensen spreekt om zijn ideeën te kunnen illustreren en ook te testen. En zo komt hij ook deze keer tot heel andere conclusies in zijn boek dan in het stuk dat eraan ten grondslag lag. Niet alleen stelt hij nu het belang van de Indische Oceaan centraal. Hij verbindt er zowaar een optimistische toekomstverwachting aan.

De meeste boeken van Kaplan (dit is zijn dertiende) zijn een mengeling van geopolitieke analyse, reisverslag en geschiedenis. Zo ook Moesson. In dit boek onderneemt hij een reis langs de randen van de Indische Oceaan, die hem van het sultanaat Oman via kustplaatsen in Pakistan, India, Bangladesh en Sri Lanka naar Birma en Indonesië voert, om uiteindelijk uit te komen in Zanzibar, voor de Oost-Afrikaanse kust.

De reportages die eruit voortkomen verschillen per land nogal in kwaliteit. Zo zijn de bronnen die hij in Birma heeft wel kleurrijk (een handvol Amerikanen met een achtergrond in militair en/of zendingswerk, die ter plaatse de strijd van opstandige minderheden steunen), maar erg informatief of anderszins waardevol zijn deze zegslieden niet.

Toch slaagt Kaplan er goed in te laten zien hoe belangrijk de Indische Oceaan is in zowel commercieel als strategisch opzicht voor al deze landen – en ook voor China en de VS. En het aardige is dat hij daarbij belevenissen en observaties die zijn centrale stelling relativeren, niet wegmoffelt.

Dat blijkt onder meer in zijn hoofdstuk over de Pakistaanse havenstad Gwadar, die als illustratie moet dienen van de groeiende geopolitieke ambities van China. Peking heeft honderden miljoenen dollars geïnvesteerd in de ontwikkeling van de haven, die, eenmaal aangesloten op een nog te bouwen net van pijpleidingen, een overslag- en distributiepunt moet worden van gas en olie uit Centraal-Azië. Het stadje van nu 70.000 inwoners kan met zijn ‘ultrastrategische locatie’ een grote naam worden, schrijft politiek analist Kaplan enthousiast, een Dubai, een Singapore in Pakistan. Maar de nuchtere journalist Kaplan ziet dat de mooie kades leegstaan en de kranen niet in gebruik zijn, terwijl Pakistan politiek gevaarlijk instabiel is en de economische ontwikkeling er stilstaat. Dus zo’n vaart loopt het niet.

Dat doet niets af aan het belang van twee cruciale vragen van deze tijd, waarop Kaplan een nieuw licht werpt door de Indische Oceaan zoveel belang toe te kennen: hoe gaat China zijn nieuw verworven economische macht politiek en militair gebruiken? En vervolgens: hoe kunnen de VS daarop het beste reageren?

China, stelt Kaplan in een van zijn laatste hoofdstukken, kiest waarschijnlijk voor een strategie van twee oceanen. Want hoe belangrijk de Indische Oceaan als knooppunt van handels- en machtsrelaties ook mag zijn, de Grote Oceaan is voor zowel China als de VS voorlopig nog zeker zo essentieel. En dat de Amerikanen geleidelijk aan invloed verliezen – na een maritieme dominantie van meer dan zestig jaar – staat buiten kijf.

In een boek dat begint met het uitroepen van de Indische Oceaan tot spil van het wereldgebeuren kan deze wending de lezer verbazen. Maar ze is wel realistisch. China stoort zich niet alleen aan de dominante Amerikaanse aanwezigheid in de Aziatische wateren, de Chinese marine is bovendien gefrustreerd door de reeks van landen voor zijn kust die bondgenoten zijn van de VS, de zogenoemde ‘Eerste Eilanden Keten’, van Japan, via Zuid-Korea, Taiwan en de Filippijnen tot Indonesië en Australië. Bij elkaar een potentiële barrière die de toegang van China tot de Grote Oceaan kan blokkeren. Aansluiting van Taiwan bij het vasteland zou een belangrijke bres in die keten slaan.

Maar dat China en de VS tegenstanders worden is volgens Kaplan niet onvermijdelijk. Hij sluit een nieuwe Koude Oorlog niet uit. Maar hij acht ook een vreedzame overgang mogelijk van de Amerikaanse alleenheerschappij op zee, naar een situatie waarin China – en in de Indische Oceaan ook India – een steeds prominentere rol spelen, samenwerkend met de Amerikanen aan de stabiliteit die noodzakelijk is voor een gezonde economische ontwikkeling. Ook als optimist ontbreekt het Kaplan niet aan geopolitieke verbeeldingskracht.