Het hoofd moe op de broodkorst

Een jury die een andere visie heeft op poëzie dan beroepslezers is te prijzen. Geldt dat ook voor de jury van de VSB Poëzieprijs die donderdag wordt uitgereikt, vraagt Ron Rijghard zich af.

De nominaties van de VSB Poëzieprijs 2011 waren een verrassing. Met de keuze voor de bundels van Armando, Eva Cox, Paul Bogaert, Kreek Daeye Ouwens en Henk van der Waal droeg de jury van de prestigieuze prijs een vijftal outsiders voor.

Doordat de prijs in 2010 niet is uitgekeerd, opdat de uitreiking voortaan aan Gedichtendag kan worden gekoppeld, was er keuze uit 159 bundels, geschreven tussen januari 2009 en september 2010. H.H. ter Balkt en eerdere winnaar Arjen Duinker zijn opvallende afwezigen. De winnaar van 2009, Nachoem Wijnberg, mocht met zijn nieuwe bundel volgens de reglementen niet genomineerd worden. Een winnaar is voor vier jaar uitgesloten van deelneming. De winnaar van 2006, Mark Boog, dong wel mee.

Arjen Duinkers Buurtkinderen domineerde in 2009 de jaarlijstjes. Hij won de Awater Poëzieprijs, die wordt samengesteld uit de voorkeuren van ruim dertig beroepslezers. Dit jaar gaat die prijs naar K. Michel, voor zijn alom geprezen, geestrijke Bij eb is je eiland groter. Ook K. Michel is een eerdere winnaar van de VSB Poëzieprijs.

De jury van 2011 negeerde dus reputaties en lovende recensies. Dat is alleen maar goed. Althans, als er vervolgens een overtuigende, alternatieve selectie wordt gemaakt. Leve de jury die beter oplet, scherper leest en het beroepslezersgilde op zijn nummer zet door ten onrechte genegeerde meesterwerken te presenteren.

Maar doet de VSB-jury dat ook?

OArmando schrijft en schildert al zo lang over het kwaad in de mens, dat je alles wat hij maakt automatisch in dat schijnsel beziet. Ook als er in een gedicht een toespeling ontbreekt ben je geneigd de nazi’s en hun misdaden er zelf bij te denken. Het is een genreafspraak, zoals bij bezoekers van een horrorfilm. Als de vloer kraakt, is het meteen spannend, want het is een enge film.

De korte gedichtjes, van 7 of 8 regels, waaruit het genomineerde Gedichten 2009 bestaat, hinten voortdurend in de richting van geweld en terreur. Het gedicht ‘Aandacht’ eindigt bijvoorbeeld met ‘ze zouden komen/ je wist dat ze kwamen’. Onbestemde dreiging, de bundel is er vol van.

Soms wordt angst en onmacht aan het licht gebracht door een duistere onderstroom. Zoals in ‘Zwijgen’, dat mooi begint met: ‘De nietsvermoedende vond het adembenemend’. Een ‘nietsvermoedende’ is het ideale personage voor Armando: het onheil is onafwendbaar en onbekend, terwijl de lezer een gewaarschuwd man is.

Maar veel vaker ligt het drama er bij de dichter dik bovenop. De VSB-jury roemt de kaalheid van Armando’s gedichten, maar mij trof eerder de pompeuze dimensie van zijn formuleringen. Hij schrijft veel regels als: ‘Het was een kil heelal,/ dat de planeten door de leegte joeg.’; ‘hol en zwart is de bruiloft, is/ de klank van het graf.’; ‘de beenderen zijn verdreven, want de aderen zijn verraden.’; ‘Wee degenen, die de lantarens doven,/ die het kwaad verslinden/ het machteloze juk verbreiden,’.

De ‘innerlijke noodzaak’ heet in het oeuvre van Armando een groot goed te zijn, maar deze bundel laat zien dat innerlijke noodzaak geen kwaliteit van zichzelf is. Innerlijke noodzaak heeft meer slechte dan goede kunst opgeleverd.

OBij Eva Cox is iets als ‘noodzaak’ ver weg. Het duurde vijf jaar voor ze haar tweede bundel voltooide, een twee drie ten dans. In het gedicht ‘Dame Stassaert, beste Lucienne’ heeft ze het over een ‘werkweek nog drukker dan gevreesd’ en over een schrijverschap dat ligt ‘opgesloten in mij’. Cox komt niet aan dichten toe en dat is te merken. Van de 26 gedichten en prozastukken is bijna de helft in opdracht geschreven. Er zijn drie vertalingen, drie pastiches en twee ‘een antwoord’ op een andere dichter.

Het resultaat is even wisselvallig. Mooi is het korte prozastuk ‘Klem’, dat gaat over moe thuiskomen: ‘Liefst zou zij het hoofd op de broodkorst werpen, haar tanden in de zacht gebakken broodbrug slaan, graven, grazen van het kruim als de ree van wat netels’. Maar het besef dat ze een mens is, weerhoudt haar. Geestig is ‘Lieve vriend’, een brief in dichtvorm, waarbij het hele gedicht het kopen van postzegels bij een kantoortje met twee ‘postmarmotten’ beschrijft, die ze uit troost wel zou willen omhelzen. Maar tegenover een handvol geslaagde stukken staan veel meer niet puntig uitgewerkte of goed doordachte andere. Cox heeft een talent dat ze te weinig benut.

OEen sluitend concept daarentegen biedt de Slalom soft van Paul Bogaert. Het is één lang gedicht in 28 paragraafjes, waarin de werknemer van een reclamebureau ten onder lijkt te gaan aan een paniekaanval, een spoor van vernieling nalaat en in behandeling moet. Maar het kan ook zijn dat zijn ademloze woordenstroom alleen maar weergeeft wat hij denkt in het kwartier tussen wakker worden en opstaan voor de werkdag begint.

Dat gaat onder meer zo: ‘Terug nu, terug!/ Achteruit!/ Alleen wie gemachtigd is/ tot ingebruikstelling/ of uitschakeling, kent nog het genot/ van de kalmte./ De tijd van wimpel en warempel is voorbij./ We moeten uit vernedering inspiratie halen’. Het zijn de voortijlende gedachtes van een moegestreden burger, met ‘een dipje’, zoals het ergens heet. Het idee vertoont raakvlakken met de bundel Roeshoofd hemelt van Joost Zwagerman, dat ging over de neurose van een doorgedraaide consument, maar Bogaert is minder extreem in zijn vorm. de Slalom soft is goed bedacht en vakkundig en consequent uitgevoerd, maar het resultaat, een wazig en verward relaas, doet steriel aan. En om voor satire door te gaan, zijn de gedichten te onbepaald.

OSensitief zijn de prozastukjes in De achterkant, waarin Kreek Daey Ouwens rouwprocessen beschrijft. Als kind ervaart de ik-figuur de weerslag van het overlijden van haar tante op haar moeder en grootouders, die respectievelijk zus en dochter verliezen. Als oudere vrouw kampt ze met het overlijden van haar echtgenoot. Het kind is eenzaam en voelt zich ongeliefd. ‘Niemand is boos. Alleen maar stil’. De weduwe voelt grote liefde, maar worstelt ook met de vrijheid die zij haar man toestond om andere vrouwen te beminnen. ‘Ben ik degene die niet spoort? Of is dit de uiterste vorm van liefde?’ In beide gevallen bieden alledaagse handelingen en triviale objecten houvast.

Ouwens schrijft korte, sobere zinnetjes, met soms een lyrische noot. Het is een persoonlijk drama dat ze in die knap volgehouden stijl beschrijft, zonder ontwikkeling. Al is er een kleine climax in de overpeinzingen van de weduwe, die verklaart dat haar rol als begrijpende echtgenote te zwaar was. Ze knipt een keer drie net aangeschafte rokjes aan stukken. Ouwens werkt kalm toe naar die summiere uitspatting, en dat ze haar vertelling structureert in prozagedichten draagt bij aan het ritme, maar onderweg ebt de spanning net iets te veel weg.

ODe achterkant is onvergelijkbaar met de knaleffecten die Henk van der Waal toepast. Zijn Zelf worden is een kritisch filosofisch en psychologisch zelfportret. Enerzijds is het stimulerende poëzie, omdat de dichter de taal op en over de rand van het begrip dwingt. Dat gaat zo (in de eerste helft van het gedicht ‘Overgave’):

neem nou de stilte die na nachtelijke regen

zonder morren de straat met zijn acacia’s

en betegelde portiekjes in zijn hoedanigheid

bewaart en uitbreiding in je zoekt als je de deur

uit stapt, wat je pas merkt als het zich drenzende in

je voordoet, het zich nergens om bekommerende

dat je wezenheid vult en met schermutseling teweeg

brengt aan je basis en de toeroep in je bemoeiing

zodanig in trilling brengt dat je uitmondt in

overgave

De eigenaardigheid van Van der Waals taalgebruik laat zich hier eenvoudig aanwijzen. Het is niet dat de stilte de straat ‘vult’ of iets dergelijks, maar ‘in zijn hoedanigheid bewaart’. Het is bij hem ‘als zich het drenzende in je voordoet’ in plaats van ‘als in je gaat drenzen’, en het is je ‘wezenheid’ in plaats van je ‘wezen’. Dat laatste is ook wat anders, maar het gaat erom dat de dichter er een handje van heeft substantieven te gebruiken of bijvoorbeeld werkwoorden te substantiveren. In de taalkunde heet dat procédé nomalisatie.

De gedichten in Zelf Worden zijn al maar doorlopende zinnen, opgebroken door komma’s, zich verlengend met bijzin op bijzin. Dat wekt de indruk dat de dichter beweging in de taal ambieert. Maar die nomalisaties fungeren als blokkades. Daarbij komt dat de dichter dol is op tangconstructies, abstracties en in verschillende bijzinnen uitgewerkte vergelijkingen.

In het tweede deel van ‘Overgave’ leidt dat tot de regels: ‘dat […] je geen andere keuze laat/ dan je uit te strekken in dat stil hoedende/ dat jou, ondanks de betrekking waarin het je/ houdt, fundamenteel ontmantelt, zodat de/ schaduw van je dood als een zelf dat je wordt/ in je op kan stomen en de meedogenloze/ vreugde aan de waan van je dag kiemen kan’. Dat het lelijk geformuleerd is, is misschien een kwestie van smaak. Maar de taal staat hier op slot. Dat is de keerzijde van zijn streven met de taal te experimenteren. De nodeloos ingewikkelde, statische constructies leggen de poëzie lam. Dit zijn gedichten die vaak leuker zijn om te bestuderen dan om te lezen.

Nee, deze vijf bundels vormen niet de gehoopte surprise. Ik tel vier conceptwerken en een allegaartje. De VSB-jury bestaat uit vier wetenschappers en een journalist. Die overeenkomst kan toeval zijn. Maar met het mes op de keel: dan het liefst een prijs voor het allegaartje van Eva Cox. Voor haar dartelheid en de handvol goede gedichten die ik graag teruglees. Maar een echt prestigieuze prijs mag dit niet elk jaar overkomen.

Armando: Gedichten 2009. Augustus, 108 blz € 22,50

Paul Bogaert: de Slalom soft. Meulenhoff/Manteau, 56 blz € 19,95

Eva Cox: een twee drie ten dans. De Bezige Bij, 72 blz. € 16,50

Kreek Daey Ouwens: De achterkant. Querido 111 blz. € 17,95

Henk van der Waal: Zelf worden. Querido, 83 blz. € 17,95