Het cabaretlied is geen verplicht nummer meer

Buitenlanders vinden het altijd een beetje raar als ze een Nederlandse cabaretier zien die af en toe een liedje aanheft. In de voorbeeldlanden Amerika en Groot-Brittannië is een cabaretier immers hetzelfde als een stand-up comedian – en een stand-up comedian zingt niet, die vertelt grappen. Maar de Nederlandse traditie was anders. Hier lardeerde iedere cabaretier (van Wim Sonneveld en Wim Kan in vroeger dagen tot Freek de Jonge en Youp van ’t Hek) zijn optreden altijd met een paar liedjes. Tot er een jaar of tien, vijftien geleden iets veranderde. Sinds het Comedytrain-initiatief van Raoul Heertje de stand-up ook in Nederland populair heeft gemaakt, zijn steeds meer nieuwe cabaretiers uit die hoek afkomstig. Ze maken hun voorstellingen op basis van hun stand-up-ervaring – een kwartiertje in de comedyclub wordt anderhalf uur in het theater – en daar passen geen liedjes in. Najib Amhali, Ronald Goedemondt, Theo Maassen, Micha Wertheim en vele anderen zingen niet. En er is ook niemand die dat een gemis vindt. Zodat het cabaretlied een achterhaald verschijnsel leek te worden.

Leek, want dit seizoen wordt er weer opvallend vaak gezongen. Niet alleen door cabaretiers voor wie het lied de hoofdmoot van hun optreden vormt – denk aan Jeroen van Merwijk – maar ook door nieuwere talenten. Vorige week ging Johan Goossens, die in 2006 het Groninger Studenten Cabaretfestival won, in première met Maandag. Het is zijn tweede programma, na het onderhoudende A-boom! waarin hij een autobiografisch verhaal vertelde over de ontnuchterende werkelijkheid achter goedbedoeld ontwikkelingswerk in Ghana. Vol zelfspot, ironie en slim geformuleerde zinnetjes. En gelardeerd met liedjes die menigmaal de nurkse toon van Van Merwijk wisten te evenaren.

Goossens tweede programma is lang niet zo pakkend. Het is alsof hij ditmaal niet meer zo goed wist waar hij het over moest hebben. Veel verder dan wat alledaags gebabbel over medereizigers in de trein en zijn omgang met de buren komt hij niet. Maar zodra hij aan de piano gaat zitten om een liedje te zingen, is hij opeens veel trefzekerder. Sommige cabaretiers die ooit met louter liedjes begonnen, vertellen er allengs langere verhalen tussendoor, totdat de liedjes ten slotte weinig meer dan een intermezzo zijn. Misschien kan het bij Johan Goossens maar beter andersom gaan: steeds meer liedjes, steeds minder conferences.

Een paar dagen later zag ik Katinka Polderman in haar derde programma, Polderman tuigt af. Bij haar is de balans nu al in orde. De laconieke toon van haar conferences en de lieflijke klank van haar liedjes gaan wonderwel samen. Van een stijlbreuk is geen sprake. Pratend en zingend beoefent ze twee verschillende manieren om grappig te zijn, en die zijn alle twee even effectief.

Toen het lied nog een vanzelfsprekend onderdeel van elke cabaretvoorstelling was, fungeerde het vaak als rustpunt tussen de lachbuien door. En dan hoefde het eigenlijk niet eens zo veelbetekenend te zijn. De liedjes van nu kunnen net zo grappig zijn als de conferences. Ze zijn geen verplicht nummer meer.