Doet u mij een Führermuseum

Robert M. Edsel (en Bret Witter): De Kunstbrigade. Hoe de geallieerden de Europese kunstschatten redden. Spectrum, 535 blz. € 20,-

Over de slagvelden van WO II trok een bont gezelschap mannen van het slag dat je normaal niet zo snel onder de wapenen zult aantreffen. Kunsthistorici en beeldend kunstenaars waren erbij, museumdirecteuren en cultuurambtenaren, gerespecteerd in hun vak en juist om hun specifieke expertise gerekruteerd. Ze behoorden tot de kleine legerafdelinig ‘Monument, Fine Arts and Archives’ (MFAA), in 1943 opgericht door de geallieerden, en werden ‘Monuments Men’ genoemd.

Hiermee was voor het eerst in de geschiedenis een organisatie actief die tot taak had culturele schade tijdens de gevechtshandelingen zoveel mogelijk te beperken. De Amerikaanse auteur Robert M. Edsel heeft de activiteiten van deze afdeling in De Kunstbrigade nauwgezet gereconstrueerd. Die richtten zich op de grootschalige, georganiseerde nazikunstroof. Een van de megalomane ideeën van Adolf Hitler was het oprichten van een enorm ‘Führermuseum’ in zijn geboortestad Linz, waar topwerken van de westerse beeldende kunst getoond moesten worden. In heel Europa werden musea en andere kunstcollecties, kerken en paleizen ontdaan van kunstwerken.

Het monumentale Lam Gods-altaarstuk van de 15de-eeuwse gebroeders Van Eyck in de Gentse Sint-Bavokerk werd bijvoorbeeld meegenomen. Maar ook talloze kleinere schilder- en beeldhouwwerken, tekeningen en prenten werden weggehaald uit verzamelingen als die van het Louvre. De buit werd opgeslagen in geheime depots, zoals de zoutmijnen van het Oostenrijkse Altaussee.

Amateurhistoricus Edsel heeft zich na een carrière in het zakenleven gestort op de kunstdiefstal van de nazi’s. Eerder bracht hij die geschiedenis met een fotoboek in beeld (Rescuing Da Vinci, 2006). Nu zijn de nog onderbelichte kunstbrigadiers de hoofdpersonen. Op basis van historische studies en archiefmateriaal, memoires en correspondenties reconstrueert Edsel, soms nogal wijdlopig, wapenfeiten die op het eerste gezicht in de categorie ‘dweilen met de kraan open’ thuis lijken te horen. Zo haalt hij de anekdote aan van Eric Mortimer Wheeler, befaamd Brits archeoloog, die in Libië ternauwernood kon voorkomen dat de tempelruïnes van de Romeinse stad Leptis Magna door Britse legertrucks zouden worden verpletterd.

Improvisatie en toeval speelden ook een rol bij sommige van de belangrijkste ontdekkingen van de MFAA. Toen bijvoorbeeld de Amerikaanse kapitein (en gediplomeerd architect) Robert Posey door kiespijn werd geplaagd, bezocht hij een Duitse tandarts. Die bracht hem in contact met zijn schoonzoon, die alles wist over het enorme kunstdepot in Altaussee. De schoonzoon deed zich voor als een door de omstandigheden gedwongen kunstgeleerde en bood informatie aan in ruil voor een vrijgeleide naar Frankrijk. Later bleek hij Herman Bunjes te zijn, die onder meer een centrale rol had gespeeld bij de inbeslagname van kunstwerken uit het Jeu de Paume in Parijs.

Spannend wordt het relaas waar Edsel ingaat op de dreigende vernietiging van Altaussee. Om de opmars van de geallieerden te belemmeren, had Hitler de vernietiging van de hele Duitse infrastructuur bevolen. Na Hitlers zelfmoord waren sommigen dan ook vastbesloten de ‘paralyse’ van het kunstdepot uit te voeren. Nadat Hitlers huisarchitect Albert Speer het decreet had teruggedraaid, moest de kunstbrigade toch nog haast maken bij de evacuatie van de zoutmijn, uit angst voor oprukkende en grijpgrage troepen van Stalin.

Robert Edsels boek is een informatieve en onderhoudende hommage aan de ‘Monuments Men’. Hij tekent zelfs gefingeerde dialogen en gedachten op van de hoofdpersonen, die daarmee herhaaldelijk op precies dezelfde wijze worden gekarakteriseerd. Zo is museumconservator George Stout steevast ‘elegant’, en moet beeldhouwer Walker Hancock – omdat hij het er in bewaard gebleven brieven nogal eens over heeft – telkens weer ‘denken’ aan zijn vrouw Saima en het atelierhuis in Massachusetts dat hij met haar wil gaan bewonen. Edsel maakt van zijn hoofdpersonen stereotypen. En daarmee bereikt hij een effect dat tegengesteld is aan zijn missie deze heldhaftige redders van veel van Europa’s kunstschatten tot leven te brengen.