De onverwachte dood van een collega

De plotselinge dood mag dan zogenaamd een mooie dood zijn, het is toch vooral een verdrietige dood. Geen groet, geen blik, geen woord meer. Er is alleen een lichaam dat er niet meer bij hoort, de rest is ontvreemd door een dief in de nacht.

Deze week overkwam het op 70-jarige leeftijd Jan Gerritsen, oud-redacteur van NRC Handelsblad, na zijn pensioen freelancejournalist op IJsland.

Op de redactie ging maandag een interne mail rond met het opschrift: „Oud-collega overleden.”

Terwijl ik het bericht verschrikt opende, flitsten allerlei namen door mij heen, maar niet die van Jan Gerritsen. Jan was altijd fit en fier.

In een van zijn laatste mails toonde hij zich vooral getroffen door het lot van een ernstig zieke collega: „Een vreselijk drama.” Nu heeft die collega hem overleefd.

Dankzij het wonder van internet kon ik hem afgelopen nacht nog even terughalen naar het rijk van de levenden.

Een eigenaardige gewaarwording. Op 7 oktober 2010 gaf hij een lang interview aan het radioprogramma Casa Luna van de NCRV. Hij praatte er over zijn boek IJsland ontploft! dat net was uitgekomen. Omdat de geluidskwaliteit voortreffelijk was, leek het wel alsof hij weer tegenover je zat aan een cafétafeltje. Zo’n twee keer per jaar, als hij over was uit IJsland, troffen we elkaar daar.

Hij was een uitstekende verteller. Luchtig, maar raak formuleerde hij zijn altijd nuchtere observaties.

In een aantal kenmerkend bondige zinnen zette hij ook op de radio de essentie van IJsland uiteen, het land dat hij zo goed had leren kennen sinds hij er zich met Inga, zijn IJslandse vrouw, in 2002 had gevestigd.

Ze woonden in een dorpje van 500 mensen, een uur rijden van Reykjavik.

„Het landschap van IJsland kan buitengewoon mooi zijn”, zei hij tegen zijn interviewer, „maar ook mysterieus en dreigend. Het land is driemaal zo groot als Nederland, maar er wonen alleen aan de rand wat mensen, de rest is wildernis. Daar is het gevaarlijk, elk jaar verdwijnen er mensen.”

Ze lagen hem wel, die IJslanders, ze waren goed in improviseren, ze hadden geleerd te overleven in moeilijke omstandigheden.

Hij kon goed relativeren, zonder in dooddoeners te vervallen. Voor hem bestond de wereld uit betrekkelijkheden waar je je, net als die IJslanders, niet door uit het veld moest laten slaan.

Wat niet betekende dat je onverschillig door het leven moest gaan. Aan opgeblazen pretenties en openbaar onfatsoen kon hij zich stevig ergeren.

Zo wilde hij liever niet meer bij het Leidseplein afspreken. Daar had hij een vorige keer moeten uitkijken op de plaskruizen die er vrijdags worden opgesteld.

Er zijn oudere mensen die je frapperen door hun levenslust, hun vermogen zich voor van alles te blijven interesseren.

Zo iemand was hij. Hij wilde altijd van je weten „hoe het met de krant ging” en „wat er toch met Nederland aan de hand was” – want de populistische revolte onder leiding van Pim en later Geert bezag hij met grote scepsis.

De laatste tijd begon hij zich af te vragen of hij met zijn vrouw niet wat meer tijd buiten IJsland moest doorbrengen.

De winters duurden er wel erg lang. Hij had net drie maanden in een Turks dorpje aan zijn boek gewerkt, dat was hem goed bevallen. Het hoeft niet meer.