Ben Bot mengt zich in de zaak-Bahrami

Iran moet ervan worden overtuigd dat het voor de relaties met Den Haag beter zou zijn om Zahra Bahrami niet te executeren. Dat zegt oud-minister Ben Bot.

Ben Bot, oud-minister van Buitenlandse Zaken, heeft bij de Iraanse ambassadeur gepleit voor strafvermindering voor Zahra Bahrami. In Iran is tegen deze Iraans-Nederlandse vrouw de doodstraf uitgesproken, voor bezit van 450 gram cocaïne.

„Het is zaak om achter de schermen te proberen de Iraniërs ervan te overtuigen dat, hoewel ze hun eigen onafhankelijk rechtssysteem hebben, het voor de relaties beter zou zijn om deze vrouw niet te executeren”, zegt Bot.

Bot is tegenwoordig werkzaam bij een Haags lobbybureau. Hij zegt dat hij op verzoek van vrienden van Bahrami de Iraanse ambassadeur heeft benaderd. Die heeft Bot vervolgens inzage gegeven in het strafdossier.

Bahrami (45) werd eind december 2009 in Teheran gearresteerd op verdenking van drugsbezit, deelname aan anti-regeringsprotesten en lidmaatschap van een gewapende oppositiebeweging. Voor de laatste twee beschuldigingen volgt nog een tweede rechtszaak tegen Bahrami. Zij ontkent alle beschuldigingen.

Volgens de Iraanse ambassade in Den Haag was Bahrami betrokken bij het smokkelen van cocaïne naar Iran en opium naar Nederland. De vertegenwoordiging wees er in een brief aan deze krant op, dat Iran een groot drugsprobleem heeft en 3.400 agenten heeft verloren in de strijd tegen drugs.

Bahrami zou volgens de brief tijdens haar arrestatie in het bezit zijn geweest van drie verschillende paspoorten (uit Iran, Nederland en Spanje) met verschillende persoonsgegevens. Ook benadrukt de ambassade dat er nog juridische procedures plaats moeten vinden voor de doodstraf definitief wordt.

Ben Bot (CDA) heeft tijdens zijn ambtsperiode met soortgelijke gevallen in Iran te maken gehad, zegt hij. Bot was minister van Buitenlandse Zaken van 2003 tot 2007. Zijn aanpak – „altijd blijven praten” – heeft vaak geleid tot strafvermindering voor de betrokkenen.

Eind november ging een ontmoeting tussen de Nederlandse minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) en zijn Iraanse collega Manoucher Mottaki op het laatste moment niet door. De Iraniërs zegden af, nadat de Nederlandse regering weigerde de garantie te geven dat zijn zakenvliegtuig zou worden bijgetankt tijdens een bezoek aan een organisatie van de Verenigde Naties in Den Haag. Beide bewindslieden zouden daar over de zaak-Bahrami spreken, zo zegt een woordvoerder van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Terwijl de Verenigde Staten Europese olieleveranciers onder druk zetten om geen brandstof meer aan Iran te verkopen, staat de Europese Unie dit juist toe. Desondanks vroeg Rosenthal advies aan de Amerikanen of het toestel had kunnen worden bijgetankt. Die gaven een negatief antwoord, aldus bronnen in Obama’s regering.

Of een publiek Nederlands gebaar de gesprekken nu vlot zou kunnen trekken, weet Bot niet. „Maar ik denk dat daar weinig ruimte voor is, aangezien er zelfs al geen brandstof voor het vliegtuig van de Iraanse minister kon worden geregeld.”

Op 5 januari, daags na het bekend worden van het Iraanse doodvonnis, vroeg Rosenthal de Iraanse ambassadeur in Den Haag om opheldering. Ook benadrukte hij in een verklaring dat het ministerie „geen kans onbenut laat” om het lot van Bahrami aan te kaarten bij de Iraanse autoriteiten.

Bahrami’s dochter, die in Teheran woont, zegt dat haar moeder radeloos is. Ze smeekt de Nederlandse regering om de druk op Teheran om haar vrij te krijgen op te voeren. „Mijn moeder is een Nederlands staatsburger”, aldus de 26-jarige Banafsheh Najebpour. „Van een land dat zich inzet voor mensenrechten wereldwijd, verwacht ik dat ze alles doen om mijn moeder van de strop te redden.”

Tijdens een gesprek op de Nederlandse ambassade in Teheran werd haar verzekerd dat alles eraan wordt gedaan om haar moeder te helpen. Maar Najebpour, een studente psychologie, zegt dat ze het idee heeft dat leidinggevenden in Den Haag onvoldoende doen om contact te krijgen met Iraanse autoriteiten.

Najebpour hoorde vanuit Nederland dat de ontmoeting tussen Rosenthal en zijn Iraanse ambtgenoot niet is doorgegaan. „Dat gesprek had mijn moeder erg kunnen helpen”, zegt ze.