Autoritaire leiders betalen voor een glanzend imago

Lobbyfirma’s beïnvloeden actief het buitenlands beleid in veel landen. Ook schimmige regimes maken graag gebruik van lobbyisten. Maar namens wie operen zij eigenlijk?

Lanny J. Davis was ooit adviseur van president Clinton en tegenwoordig gebruikt hij zijn uitstekende contacten bij zijn werk als lobbyist. Davis is gespecialiseerd in het vertegenwoordigen van controversiële bedrijven en regimes. Eind vorige maand raakte hij in opspraak, omdat hij zich had laten inhuren door de Ivoriaanse president Laurent Gbagbo, die weigert op te stappen ofschoon hij de presidentsverkiezingen verloor. Na felle kritiek dat hij een stroman was voor een autoritaire leider, zag Davis zich genoodzaakt het lucratieve contract van 100.000 dollar per maand te verbreken.

Davis is lang niet de enige westerse lobbyist die autoritaire regimes vertegenwoordigt. Lobbyen voor regeringen is een grote inkomstenbron geworden voor vooraanstaande lobby- en pr-bedrijven in het Westen – en ze vertegenwoordigen zeker niet alleen de keurigste landen.

Zo liet de Amerikaanse lobbyfirma Carmen Group, opgericht door de voormalig politiek adviseur van de presidenten Ronald Reagan en George Bush senior, zich inhuren door Kazachstan, waar alle macht in handen is van president Nazarbajev. En Timothy Bell, de voormalige pr-goeroe van de Britse premier Margareth Thatcher werd ingehuurd door de Wit-Russische president Aleksandr Loekasjenko, die sinds 1994 aan de macht is en geldt als „de laatste dictator van Europa”.

Dit was ooit anders. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog het was het not done voor prestigieuze lobbyfirma’s om zich te laten inhuren door schimmige regimes. Het Amerikaans Congres nam de Foreign Agents Registration Act aan, die vereiste dat alle lobbyisten in dienst van landen zich moeten registreren bij het ministerie van Justitie. Openheid en schaamte zouden lobbyisten weerhouden te werken voor immorele cliënten.

Maar dat is allang niet meer zo. Ook al door de groei van het aantal lobbyfirma’s. In de tweede helft van 2009 registreerden 1.900 lobbyisten in dienst van landen zich bij het Amerikaanse ministerie van Justitie. Waarschijnlijk is het aantal veel groter, want het Amerikaanse General Accounting Office schat dat slechts de helft zich registreert. Verzuim wordt niet bestraft.

De groei van het aantal lobby- en pr-firma’s die landen vertegenwoordigen weerspiegelt de privatisering van de diplomatie, zegt John Newhouse, auteur van het boek Diplomacy Inc. over de invloed van lobby’s op het Amerikaanse buitenlandbeleid. „Een lobbyfirma kan afspraken maken en druk uitoefenen op een manier die de buitenlandse cliënt niet kan. De meeste ambassades opereren niet zo effectief in Washington als lobbyfirma’s, daar hebben ze de capaciteit niet voor. Bovendien is de Amerikaanse regering zo complex geworden dat lobbyisten veel meer deuren kunnen openen.”

Lobbyisten hebben zeer goede contacten in Washington. Het zijn vaak voormalige Congresleden, leden van hun staf, en oud-medewerkers van overheidsinstellingen. Ze ontwikkelen voor cliënten een strategie om politiek en media te beïnvloeden. „Ze houden dossiers bij over Congresleden, hun staf, en vooral over de invloedrijke voorzitters van de commissies in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden”, zegt Newhouse. „Ze analyseren hun stemgedrag en hun uitspraken in het openbaar. Zo weten ze precies wie ze moeten bewerken om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.”

Zo heeft de advocatenfirma DLA Piper in 2007 een wetsvoorstel getorpedeerd in het Amerikaanse Congres, dat tot doel had respect voor mensenrechten te koppelen aan Amerikaans hulpgeld. Alle Congresleden kregen een memo, waarin DLA Piper uitlegde waarom „de termen ‘politieke gevangenen’ en ‘gewetensgevangenen’ ongedefinieerd zijn en de situatie in Ethiopië niet juist typeren”. En met succes. Het wetsvoorstel sneuvelde in de Senaat en Ethiopië kreeg 1,5 miljoen dollar aan militaire hulp.

Ook regelen lobbyfirma’s interviews met regeringsleiders, organiseren volledig betaalde persreizen, proberen journalisten warm te maken voor nieuwsonderwerpen die het land in een gunstig daglicht stellen en laten bevriende experts van denktanks artikelen schrijven voor de opiniepagina’s van kranten.

Zo gaat het ook bij de Europese Unie, zegt David Leloup, onderzoeker van Corporate Europe Observatory, die vorig jaar een rapport publiceerde over lobbyisten in Brussel die voor regeringen werken. Daarin staan veel voorbeelden van autoritaire regimes die lobbyisten inhuren. Volgens Leloup is dit ook in Brussel een groeiende bedrijfstak, omdat beslissingen van de Europese Unie voor landen steeds belangrijker worden. Maar cijfers zijn er niet, want ook in Brussel zijn de activiteiten van lobbyfirma’s grotendeels aan het zicht onttrokken.

Om bij het voorbeeld van DLA Piper te blijven. De firma was ook in Brussel actief voor de Ethiopische regering. En wist in 2009 mede voor elkaar te krijgen dat de Europese Commissie plannen aankondigde om Ethiopië 250 miljoen aan financiële steun te geven.

Mensenrechtenorganisaties hebben scherpe kritiek op lobbyisten die zich door autoritaire regimes laten inhuren. „Lobbyisten zijn het vriendelijke gezicht van smerige regimes, ze smeren lippenstift op monsters”, zegt Reed Brody, de directeur van het Europese bureau van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. „Ze proberen moord, marteling en onderdrukking te rechtvaardigen of weg te moffelen en zorgen dat de daders beter gehoord worden in het Westen.”

Het grootste probleem, zegt Brody, is dat lobbyisten geen democratische legitimiteit hebben. Terwijl ze wel de Amerikaanse en Europese buitenlandpolitiek beïnvloeden. „Door lobbyisten neemt de invloed van geld toe. Moet de Amerikaanse buitenlandse politiek veranderen omdat president Gbagbo geld van zijn bevolking gebruikt om dure lobbyisten in te huren?”