Zwartwit-liefde is in film nog steeds taboe

Interraciale liefde blijft een moeizaam thema voor films. Het nieuwste Nederlandse voorbeeld: ‘Sonny Boy’.

Guess Who's Coming To Dinner? (1967) Pers: Katharine Houghton, Sidney Poitier Dir: Stanley Kramer Ref: GUE003BC Photo Credit: [ Columbia / The Kobal Collection ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement The Picture Desk

‘Zwarte Piet’ of ‘roetmop’ krijgt de Surinamer die een verhouding met een Hollandse vrouw heeft nogal eens te horen in de Nederlandse speelfilm Sonny Boy, die deze week zijn première beleefde. Ook dreigt, in het Den Haag van 1926, de huisbaas met uitzetting omdat zijn huurster een verhouding met een zwarte man heeft.

Maar eigenlijk valt het mee met het taboe op interraciale liefde en seks, als je de film ‘Sonny Boy’ mag geloven. Er komt dan ook nauwelijks seks in voor: Rika (Ricky Koole) en Waldemar (Sergio Hasselbaink) zijgen één keer neer op een bed, om in de volgende seconde voldaan tussen de lakens na te keuvelen.

Zou het echt waar kunnen zijn dat interraciale seks in het Holland van 1926 minder een zaak van taboes, diep gewortelde psychologische frustraties en maatschappelijke veroordeling was dan op andere plaatsen of in andere tijden? Onwaarschijnlijk. Want er is zo’n beetje de hele filmgeschiedenis om het tegendeel te bewijzen: angst en taboe zijn troef.

Neem The Pelican Brief van Alan J. Pakula uit 1991, een spannend verhaal over een zwarte man (Denzel Washington) en een blanke vrouw (Julia Roberts) die samen een intrige ontdekken en voortdurend naar het leven worden gestaan. Het boek van John Grisham waarop de film is gebaseerd, eindigt in een liefdevol samenzijn van de twee – die wekenlang niet van elkaars zijde zijn geweken en allerlei gevaren hebben getrotseerd.

Zo niet de film. Aan het eind drukt Roberts Washington een kus op de wang, alvorens alleen op het vliegtuig te stappen. De marketingdeskundigen van Warner Bros wilden kennelijk niet aan het eind van de film nog eens met het beladen onderwerp interraciale liefde aan de slag. Volgens de Amerikaanse ‘people’-pers was Washington van mening dat alles wat verder ging dan een kuise zoen een desastreuze uitwerking zou hebben op zijn populariteit bij zwarte vrouwen – zijn thuismarkt.

De centrale film in de geschiedenis van de liefde tussen zwart en wit is en blijft Guess who’s coming to dinner van Stanley Kramer uit 1967. De film is meer dan een vrijblijvend moralistisch traktaat: pas in datzelfde jaar zou het Amerikaanse Hooggerechtshof de nog in zeventien staten bestaande wetsbepalingen tegen interraciale huwelijken ongeldig verklaren.

In Guess who’s coming to dinner ziet een welgesteld, weldenkend, ‘liberal’ echtpaar (Spencer Tracy en Katharine Hepburn) zich onverhoeds geconfronteerd met een dochter die een zwarte minnaar (Sidney Poitier) mee naar huis neemt, met het vaste voornemen met hem te trouwen. Hoewel de bruidegom in spe bijna te goed is voor deze wereld (prominent academicus, met Nobelprijs-waardige plannen voor de gezondheidszorg in Afrika), stelt dit de ruimdenkendheid van alle betrokkenen zwaar op de proef.

De moeders weten zich vlug te verzoenen met dit ongebruikelijke geval van ware liefde. De bezwaren komen vooral van de vaders – de suggestie is dat bezwaren tegen rassenvermenging patriarchaal zijn bepaald. En van de zwarte dienstbode van de familie: „Civil rights is one thing, but this is something else.” Pas wanneer de blanke vader zich realiseert dat het sowieso niet veel uitmaakt wat hij van de partnerkeuze van zijn dochter vindt, brengt hij het op het ‘pigmentation problem’ te negeren.

Achterhaald, dit soort muizenissen? Niet op het witte doek. In 2005 is onder de titel Guess Who een remake geproduceerd van Guess who’s coming to dinner – een overigens vrij zouteloze komedie van Kevin Sullivan. Daarin zijn wat rollen omgedraaid. Het meisje is nu zwart en de jongen is blank. En als een ander teken van moderniteit is de handeling nu niet bij de blanke ouders gesitueerd, maar in een gefortuneerd zwart gezin. De instinctieve afkeer van de mesalliance van de zijde van de zwarte vader is er niet minder om.

Een van de beste films over zwart-witte liefde blijft Jungle Fever van Spike Lee uit 1991. Een zwarte, gehuwde architect krijgt daarin een seksuele verhouding met een blanke secretaresse van Italiaanse afkomst. Dat brengt in beider milieu een storm van verwijten, vooroordelen en frustraties op gang, waar de gelieven niet tegenop gewassen blijken. Verbijsterd gaan ze uit elkaar, hun levens verwoest. Jungle Fever is dus ook geen pleidooi voor de interraciale liefde. Spike Lee, voorvechter van zwarte trots, lijkt niet gecharmeerd van twee rassen op één kussen.

Opmerkelijk is overigens dat in geen enkele film serieus de mythe aan de orde komt waaraan iedereen bij zwart-witte liefde onmiddellijk denkt: dat zwarte mannen betere minnaars zijn omdat ze groter geschapen zijn. Guess Who en Jungle Fever – de laatste een seksueel vrij expliciete film – doen dit heikele onderwerp met een flauw grapje af. Maar inmiddels is ‘interracial’ wel mooi een bloeiend subgenre van de porno-industrie – dat alleen al bewijst dat interraciale liefde nog steeds een springlevend taboe is.