Voltaire was een watje

De Verlichting heeft altijd uit twee stromingen bestaan, schrijft Jonathan Israel: een gematigde en een radicale. Hij beschrijft een drama waarin we ons gemakkelijk herkennen: de spanning tussen een religieus en een materialistisch wereldbeeld.

Zonsopgang Foto AP/Joel Andrews
Zonsopgang Foto AP/Joel Andrews Associated Press

Jonathan Israel: Enlightenment Contested. Philosopy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752. Oxford University Press, 983 blz. € 49,95

In het driftige debat over onze westerse waarden mag Voltaire (1694-1778) tegenwoordig vaak worden aangehaald als het boegbeeld van de Verlichting, in Enlightenment Contested, de nieuwe massieve studie van de Britse historicus Jonathan Israel, ontpopt de Franse schrijver/filosoof zich typisch als een man van het filosofische midden. Voltaire was uitgesproken kritisch, maar niet revolutionair; juist hij verzette zich lang en fel tegen de nietsontziende kritiek van de radicale Verlichters, die in hun materialistische wereldbeeld geen plaats meer zagen voor een bovennatuurlijke instantie. Anders dan Voltaire koesterden zij bovendien denkbeel- den over vrijheid en gelijkheid die wel moesten leiden tot een totale, blijvende omwenteling van de maatschappelijke hiërarchie. Voltaire wilde zover niet gaan. Israel: ‘God stelde een universele morele code vast, beweerde Voltaire; zijn geboden waren rationeel onderbouwd, ordelijk en voor iedereen bindend.’ Voor hem zweefde boven de wereld de voorzienigheid.

Volgens Israel behoorde Voltaire, samen met Locke, Leibniz, Hume en Newton, tot de gematigde Verlichting. Hij beschouwt hen als onderdeel van een stroming die weliswaar wat vooruitstrevende denkbeelden over de menselijke rede, gelijkheid, tolerantie, en vrijheid van meningsuiting betreft sterk verwant is aan de radicale Verlichting, maar haar niettemin meestal fel bestreed. Een van de dragende stellingen van Enlightenment Contested is dat de Verlichting vanaf het begin innerlijk verdeeld is geweest – dat die altijd al uit twee, vaak tegengestelde stromingen heeft bestaan. In Radical Enlightenment, de baanbrekende studie uit 2001 die aan dit boek vooraf ging, plaatste Israel Baruch Spinoza en zijn volgelingen in het hart van de Verlichting, en in dit tweede deel (er volgen er nog twee) trekt hij de lijn door: het is de radicale Verlichting van Spinoza, de volgens hem miskende Pierre Bayle en Diderot geweest die de ruggegraat van de stroming vormde, die zowel felle tegenstand ondervond van de contra-Verlichting van de religieuzen, als van de gematigde denkers die God koste wat het kost binnenboord probeerden te houden.

De ideeën over vrijheid en gelijkheid van de laatsten waren sterk gekwalificeerd; gewone mensen en andere rassen kwamen er meestal bekaaid af. Velen van hen waren zelf weliswaar niet zwaar gelovig, maar beschouwden het als gevaarlijk wanneer het volk zijn geloof ontnomen zou worden. In hun ogen ging de radicale Verlichting te ver. Spinoza’s onthechte filosofie, die geen onderscheid maakte tussen geest en materie en van de moraal een zuiver menselijke aangelegenheid maakte, leidde in hun ogen tot onherroepelijk moreel verval en een gevaarlijk nihilisme.

Voor menig gematigde verlichtingsdenker, stelt Israel, was het atheïsme een nog grotere vijand dan de verkalkte dogma’s van het geloof. Zoals bijvoorbeeld in het geval van de Franse verlichtingsdenker Turgot (1727-81), die vond dat de mens van nature egoïstisch en pervers was; alleen het Christendom kon hem gemeenschapsgevoel en een liefde voor de mens in het algemeen bijbrengen. ‘Turgots filosofische geschriften trokken onmiskenbaar evenzeer van leer tegen Diderot, radicale deïsten en atheïsten als tegen traditie, de autoriteiten en geloofsijver.’

Enlightenment Contested is opnieuw een duizelingwekkende onderneming, een omvangrijke en oneindig gedetailleerde heroverweging van de oorsprong van ‘onze’ moderniteit. Nog meer dan in zijn vorige boek toont Israel zijn fenomenale kennis van obscure en vergeten denkers en geschriften, nog dieper graaft hij in de geschiedenis van vergeten debatten en controverses, zoals die tussen Pierre Bayle en de zogenaamde Rationaux; gelovigen die dachten het geloof via de rede te kunnen rechtvaardigen. Maar ondanks de wijd uitwaaierende kennis – het boek bestrijkt de vroege en middenperiode van de Verlichting in heel Europa – de met onbekende namen volgepropte volzinnen en de stortvloed aan historische feiten, verliest Israel nergens zijn greep op zijn materiaal.

Zijn uitgangspunten zijn even helder als prikkelend. Hij ziet de geschiedenis van de Verlichting niet, zoals veel van zijn collega’s, als een geschiedenis van sociale verschuivingen, een verhaal van sociologische en economische invloeden, maar in de eerste plaats als een intellectuele geschiedenis, een geschiedenis van ideeën. Weliswaar neemt hij afstand van de traditionele Ideengeschichte, die de geschiedenis wil zien als een soort stamboom van grote denkers met een bepalende invloed op hun tijd en de onze, maar hij verzet zich evenzeer fel tegen de historici die, onder invloed van marxisme of nivellerende massacultuur, van mening zijn dat denkers nauwelijks invloed zouden hebben op de levens gewone mensen. L’ esprit philosophique, laat Israel in zijn boek zien, is bepalend geweest voor de verspreiding van ideeën over vrijheid en gelijkheid en het losweken van de moraal van een goddelijke instantie.

De geschiedenis van de Verlichting is voor Israel dan ook in de eerste plaats de geschiedenis van het debat. Vandaar al die obscure kwesties en controverses waarvan hij nauwgezet verslag doet, al die vergeten figuren die uitgebreid aan het woord komen; daarmee laat hij zien hoe de radicale ideeën van Spinoza en zijn geestverwanten doorwerkten in de maatschappij, woede, debat en ontkenning uitlokten, mensen op andere gedachten brachten en langzaam maar zeker terrein wonnen. Ideeën in actie, dat is wat Israel wil laten zien, de dynamiek van de intellectuele strijd. Juist zijn ontzagwekkende kennis stelt hem in staat te laten zien dat de dreiging van Spinoza en het spinozisme op alle fronten de discussie bepaalde – vooral bij de gematigde Verlichters. Ook toont hij aan dat het domweg niet waar is, zoals veel van zijn vakgenoten in het verleden beweerd hebben, dat veel tegenstanders van Spinoza, zowel gematigde verlichtingsdenkers als overtuigde verdedigers van het geloof, niet veel van Spinoza wisten of hem domweg niet begrepen hadden. Over het algemeen wist men heel goed waar Spinoza voor stond, al noemde men zijn naam vaak liever niet.

De denkers die, vooral in de Angelsaksische wereld, als de helden van de Verlichting gelden – Locke, Hume en Newton – worden door Israel met straffe hand naar de periferie verwezen; hun denken over God, vrijheid en gelijkheid bleef meestal angstvallig binnen de perken van de gevestigde orde en was niet echt radicaal. Hume bijvoorbeeld koesterde een groot wantrouwen jegens de menselijke rede; hij vond ook dat wanneer mensen hun samenleving gevormd hadden door gewoonte en traditie, of die nu redelijk waren of niet – je die niet zomaar uit naam van de rede omver moest gooien. Juist hun conservatieve eigenschappen maken gematigden als Locke en Hume tot de ideale boegbeelden van de Verlichting voor neoconservatieve historici, zoals de Amerikaanse Gertrud Himmelfarb, die zich nu fel afzetten tegen de radicale Franse verlichting, en alleen de Britse en Schotse Verlichting als de ‘ware’ Verlichting beschouwen.

Israel keert zich dan ook tegen het heersende idee van verschillende, nationale ‘Verlichtingen’. Hoewel er in de afzonderlijke Europese landen en Amerika verschillende kwesties speelden en verschillende debatten werden gevoerd, die hij ook allemaal beschrijft, kun je volgens hem wel degelijk spreken van één enkele beweging, zij het dan dat die in zichzelf verdeeld was. Het zwaartepunt van de stroming ligt volgens hem eerst in Holland en vervolgens, vanaf het begin van de 18de eeuw, in Frankrijk. In dat laatste land, beschrijft hij, komen de gematigde verlichters, met Voltaire als boegbeeld, steeds meer onder druk te staan van de vijand van de Verlichting, het jansenisme (de strenge stroming binnen het katholicisme), zodat men uiteindelijk radicaliseert – uiteindelijk kiest Voltaire met frisse tegenzin voor het materialisme van Diderot, omdat hij de andere partij nog schadelijker vindt.

Dat intellectuele drama, van de gematigden die ondanks verwoede pogingen niet in staat zijn een coherente filosofie te ontwikkelen die een antwoord inhoudt op de argumenten van zowel de partij van God als die van de partij van Spinoza, en zo tussen de wal en het schip dreigen te raken, vormt de kern van Enlightenment Contested.

Het is een drama waar we ons gemakkelijk in kunnen herkennen, omdat het zich nog overal om ons heen afspeelt – en vaak genoeg in ons eigen hoofd. Ook tegenwoordig loopt de spanning op tussen de partij van de wetenschap, die zich baseert op het Darwinisme en een zuiver materialistisch en mechanisch wereldbeeld bepleit, en degenen die daarvoor terugschrikken, die een betekenis zoeken die buiten de natuur ligt, zoals de aanhangers van de Intelligent Design theorie.

Israel is een geschiedschrijver van ideeën, en legt relatief weinig belangstelling aan de dag voor de psychologische drijfveren van de denkers en polemisten die hij opvoert. Daardoor krijg je weinig mee van het reële schrikbeeld dat de filosofie van Spinoza voor veel gematigde verlichtingsdenkers geweest moet zijn: een wereld zonder gegeven betekenis, die volledig gehoorzaamt aan de mechanische wetten van de natuur. Dat schrikbeeld heeft in de huidige debatten nog niets aan kracht verloren. Steeds meer mensen lijken ervan overtuigd dat een wereld zonder sturende kracht van boven een wereld zonder zin is, waarin alles om het even is en de mens volledig overgeleverd aan zichzelf.

Ook de radicale Verlichters hadden altijd een schrikbeeld, iets wat ze liever niet onder ogen wilden zien. Dat waren de (weinige) filosofen die het idealisme van de spinozisten negeerden en iedere poging om blijvend een moraal te vestigen in een goddeloos universum bij voorbaat als mislukt beschouwden. De mens, vonden zij, viel domweg niet te verlichten. Israel heeft oog voor de argwaan waarmee radicaal verlichte denkers het sombere mensbeeld van bij voorbeeld Hobbes bekeken.

In een apart hoofdstuk beschrijft hij de afkeer en haat van Franse verlichtingsdenkers jegens het cynische, mechanische wereldbeeld van Julien Offroy de la Mettrie (1709-1751). Dat was een denker met wie Diderot en Voltaire nog niet dood gezien wilden worden, omdat hij hun tegenstanders gelijk leek te geven: een wereld zonder God is een brute wereld waarin alleen overlevingsdrift en eigenbelang geldt. Er is verband tussen iemand als La Mettrie en huidige critici van de hoge aanspraken van het Verlichtingsdenken, zoals de Brit John Gray, auteur van Straw Dogs, die van mening zijn dat de mens van nature altijd tekort zal schieten ten aanzien van de opdracht die de Verlichting hem stelt. Des te hoger de verwachtingen zijn, des te gloedvoller de idealen, des te groter zal de terreur zijn wanneer de idealisten bedrogen uitkomen. Leg de verlichte idealen van de neoconservatieven naast de huidige situatie in Irak, en je begrijpt wat ze bedoelen. Dat is de kritiek op de Verlichting van latere schrijvers als Dostojevski en Joseph Conrad.

Met die kritiek houdt Israel zich nauwelijks bezig in zijn boek, vooral omdat die zich in de periode die hij beschrijft nog afspeelde in de marge, ook al noemt hij als een terugkerend argument van denkers van de Contra-Verlichting, dat de mens zonder God tot kwaad en chaos is gedoemd. Er waren de ontsporingen van de Franse revolutie en het communisme voor nodig om de Verlichtingskritiek van Adorno, Isaiah Berlin en John Gray munitie te geven.

Israel lijkt dit soort kritiek niet als een grote bedreiging van het Verlichtingsdenken te zien; in zijn polemische nawoord bij Enlightenment Contested richt hij zijn pijlen in de eerste plaats op historici die het belang van de Verlichting lijken te relativeren door die als een amalgaam van allerlei plaatselijke denkrichtingen te beschouwen of als een westerse, ideologische constructie van blanke mannen, die zich in naam van een zogenaamd universalisme gerechtvaardigd voelden andere culturen hun wil op te leggen. In het geval van Locke, die er een eurocentrisch, beperkt idee van vrijheid op nahield, geeft Israel zulke postmoderne relativisten graag gelijk – en vast en zeker ook in het geval van de neoconservatieven, die de Verlichting niet gebruiken om de gelijkheid van mensen te bevestigen, maar om de minderwaardigheid van sommige culturen te onderstrepen.

Zijn grootste angst, schrijft hij in zijn nawoord, is gebrek aan kennis – dat filosofen en de universiteiten nalaten de ware oorsprong en aard van de Verlichting te onderwijzen, waardoor de verdiensten ervan steeds vaker achteloos terzijde kunnen worden geschoven. Dat is, kan ik hem geruststellen, door het tweede deel van zijn indrukwekkende studie praktisch onmogelijk geworden.

    • Bas Heijne