Wij zullen niet samen oud worden

De deur van de videotheek stond wijd open, ondanks het natte winterse weer, en als bij ingeving waaide ik naar binnen. Het was vroeg in de avond. Hoe heette die film van regisseur Maurice Pialat ook weer, die ik door eigen nalatigheid gemist had in het retrospectief dat de afgelopen weken in het Filmmuseum aan hem werd gewijd?

Daar stond hij al, op een van de lagere schappen: Nous ne vieillirons pas ensemble. Beetje triestige titel: Wij zullen niet samen oud worden. Waarom niet? Wat was er misgegaan? Het zou een autobiografische film zijn, begreep ik.

Ik liep ermee naar de balie, waar ik op dat moment de enige klant was.

„Bent u ingeschreven?” vroeg de eigenaar.

„Bij een van uw andere winkels”, zei ik, „maar die is inmiddels opgeheven.”

Hij knikte een beetje moedeloos. „Dat is alweer zo lang geleden.” Hij schoof een blanco papiertje naar me toe. „Schrijf maar even opnieuw uw naam en adres op.”

„Jammer dat die zaak weg is”, zei ik, „het was vlak bij me in de buurt.”

Hij keek me nogal sceptisch aan. „Jammer, ja, dat zeggen jullie allemaal, maar wat schiet ik daarmee op?”

„Hoezo?” Altijd een goede vraag om wat tijd te winnen en je voor te bereiden op de noodzaak van een scherpe tegenaanval.

„Nou, kwam ú er nog vaak? Jullie blijven weg, waardoor mijn omzet daalt. Jullie gaan in de winkel goedkoop dvd’tjes kopen en zitten lekker filmpjes te downloaden op internet. Intussen worden de huren in de binnenstad zo belachelijk hoog dat het niet meer te betalen is voor een gewone winkelier.”

„Downloaden doe ik niet...”, zei ik laffer dan ik wilde, maar hij onderbrak me al: „Nee, dat zal wel niet, maar ik heb u toch verdomd weinig gezien.”

Dat klopte. Ik kocht de laatste tijd nogal eens goedkope dvd’s in de aanbieding; je vindt daar een niet gering deel van de filmgeschiedenis, van Chaplin tot Fellini, voor spotprijzen. Maar Pialat, een onbekendere grootmeester, had ik er niet aangetroffen – daarvoor hadden we toch nog altijd de betere videotheek nodig.

Ik schoof mijn Pialat schuldbewust over de toonbank. Ik zou hem toch nog wel mogen huren, ook al was ik dan zo’n miserabele videotheekdeserteur? Ik hoefde toch niet een verklaring te ondertekenen waarin ik me verplichtte elke week minstens twee dvd’s te huren omdat ik anders een bioscoopverbod opgelegd zou krijgen?

Gelukkig, zo’n vaart liep het nog niet. Ik mocht betalen en hij gaf me de dvd terug. Terwijl ik het doosje in mijn jas opborg, meldde zich een jonge vrouw die een dvd kwam terugbrengen. Ze was buiten adem.

„Vier uur te laat”, hijgde ze er ootmoedig bij. Je kon merken dat hij de wind eronder had bij zijn weinige vaste klanten.

„Is wel goed”, zei hij.

Hij bleek niet de beroerdste, hij was alleen ongelukkig omdat we hem in de steek hadden gelaten. En dat was ook zo; hij was te vergelijken met die goeie ouwe kruidenier die we destijds zwijgend inruilden voor Albert Heijn. Daar had hij ongetwijfeld ook aan meegedaan. Ons geweten volgt de portemonnee, het is zelden andersom.

„Wij zullen niet samen oud worden.” Pialat zou er wel iets anders mee hebben bedoeld, vermoedde ik toen ik weer op straat stond, maar de videotheekeigenaren van Nederland mochten ons die woorden af en toe best inscherpen.