'The King Is Dead' popmeesterwerk van de lente

The Decemberists werkte maandenlang in een verlaten schuur op het platteland in de VS aan hun nieuwe album. The King Is Dead klinkt pastoraal.

Colin Meloy is de meest onwaarschijnlijke popster die de Amerikaanse rockmuziek in recente jaren heeft voortgebracht. De zanger en gitarist van The Decemberists heeft het brave uiterlijk van een weldoorvoede natuurkundeleraar met hoornen bril, geruit overhemd, kortgeknipt haar. Zijn stem is nasaal en in zijn teksten kan hij uitweiden over Japanse volksvertellingen of de thematiek van William Shakespeares The Tempest. Tot voor kort werd de muziek van The Decemberists gekenmerkt door hoogdravende concepten en een doorwrochte structuur die herinnerde aan de progressive rock van en band als Jethro Tull.

Het nieuwe, vijfde album The King Is Dead brengt daar verandering in. Na de voorlaatste The Hazards Of Love (2009), geënt op klassieke thema’s uit de Britse folkhistorie, besloot Meloy zijn inspiratie dichter bij huis te zoeken. ‘Pastoraal’ werd het sleutelwoord en de band uit Portland, Oregon streek neer in een verlaten boerenschuur op het Amerikaanse platteland. Daar werkte het vijftal maandenlang aan muziek die in haar tijdloze eenvoud herinnert aan The Band ten tijde van Music From Big Pink, Neil Youngs Harvest en R.E.M.’s Fables Of The Reconstruction. Gitarist Peter Buck van R.E.M. voegde zich enkele dagen bij de band voor gastbijdragen op gitaar en mandoline. Zangeres Gillian Welch leverde in zeven van de tien nummers haar hartverwarmende achtergrondzang.

De albumtitel verwijst naar Colin Meloy’s waardering voor de Engelse band The Smiths en hun meesterwerk The Queen Is Dead uit 1986. Met Smiths-zanger Morrissey delen The Decemberists hun liefde voor de poëzie van het alledaagse, in songs over de wisselende seizoenen en jonggeliefden op weg naar het onvermijdelijke gebroken hart. De single ‘Down by the water’ laat hen horen op hun effectiefst: een snerpende mondharmonica, een weelde aan heldere gitaarklanken en melancholieke samenzang. ‘January hymn’ en ‘June hymn’ benadrukken die inspiratie die Meloy opdeed in het met de maanden veranderende landschap. De teksten staan bol van verwijzingen naar bleke winterdagen in de sneeuw, de eerste tekenen van de lente en de groene glorie van de zomer.

Colin Meloy bleef niet altijd zo dicht bij huis. Op het album Picaresque (2005) refereerde hij aan het gelijknamige Spaanse proza over kleurrijke avonturiers, in verhalende songs gebaseerd op die fantasierijke volksvertellingen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Een Japanse fabel bracht hem tot het veelgeroemde album The Crane Wife, over een vrouw die kleurrijke gewaden weeft uit de veren van een mythische kraanvogel. Vergeleken bij die zware thema’s is The King Is Dead een wonder van eenvoud, dat in veel gevallen geen diepere research heeft gevergd dan een blik uit het raam. De muziek is in overeenstemming met de natuurpoëzie van de teksten: aards, puur en verleidelijk.

The Decemberists staan aan de vooravond van hun grote doorbraak, niet zo veel anders dan het R.E.M. overkwam met hits als ‘Losing my religion’ en ‘Everybody hurts’. Met Jenny Conlee op accordeon, Chris Funk op diverse snaarinstrumenten en Nate Query op (staande) bas hebben ze de folkachtige uitstraling van een band als Arcade Fire, maar dan met toegankelijker songs en minder bombast. Na een tienjarige aanloop tot dit carrièrehoogtepunt onderscheiden ze zich door hun routine, terwijl de muziek ontstijgt aan het intellectuele imago dat hen eerder aankleefde. The King Is Dead is het eerste grote popmeesterwerk van het jaar; een plaat die de lente vroegtijdig laat doorbreken.

The King Is Dead verschijnt morgen bij Rough Trade/De Konkurrent. The Decemberists treden op 14 maart op in Paradiso, Amsterdam.