Shell en overheid verstrengeld

Oliebelangen zijn politieke belangen. Als iets duidelijk wordt uit zo’n honderd Haagse ‘cables’ over Shell is het wel de mate waarin de Nederlandse overheid en Shell samen optrekken.

Aan het Binnenhof probeerde premier Jan Peter Balkenende op 13 december 2006 na een nachtelijk debat over de uitzetting van asielzoekers zijn toch al demissionaire kabinet overeind te houden.

Een paar straten verderop, aan het Lange Voorhout, stuurde de Amerikaanse ambassade een cable aan Washington. Over diezelfde Balkenende. En wat hij nog meer deed. „De premier is direct betrokken bij de pogingen om Shells voortslepende geschil met de Russische overheid op te lossen.”

Of dat lukte? Balkenende kwam niet verder dan de vaststelling dat „ze ons proberen uit te persen als een citroen”.

Shell heeft dan al maanden een conflict met de Russen over het omvangrijke olie- en gasproject Sachalin II. De Russen hebben bij Shell een claim van 30 miljard dollar neergelegd wegens milieuschade. Tegelijkertijd is het staatsenergieconcern Gazprom uit op een belang van 50 procent in het project aan de Russische oostkust.

De financiële markten reageren dan op het nieuws dat er een overeenkomst is tussen Shell en Gazprom, maar volgens de Nederlandse ambtenaar die de Amerikanen bijpraat – Balkenendes raadsadviseur Karel van Oosterom – was dat onzin: „niet meer dan een onderhandelingstactiek.”

Hoe hij dat weet? Dat heeft Jeroen van der Veer, bestuursvoorzitter van Shell, hem zelf verteld. Van der Veer was komen „klagen” op het ministerie van Algemene Zaken dat de Russen hem „an offer he couldn’t refuse” hadden gedaan, een directe verwijzing naar de maffiafilm The Godfather.

Het zei veel over hoe Russen zaken doen, legde Van Oosterom de Amerikanen uit. „Chinezen dreigen met een uitgestreken gezicht, Russen lachen erbij en zeggen gewoon wat ze willen.” Ook al waren de Nederlanders, in de ogen van de Amerikanen, „niet onder de indruk van de maffia-achtige aanpak”, tien dagen later werd Gazprom de nieuwe meerderheidsaandeelhouder van Sachalin II. Shell had verloren.

En daarmee de Nederlandse overheid. Want als iets duidelijk wordt uit de nagenoeg honderd Haagse ‘cables’ over het olieconcern is het wel de mate waarin de Nederlandse overheid en Shell gezamenlijk optrekken. Het gaat verder dan de gebruikelijke gezamenlijke handelsmissies naar het buitenland, het regelmatige overleg als gevolg van contracten of de netwerkborrels waar sleutelfiguren elkaar treffen. De overheid en het olieconcern stemmen ook hun buitenlandbeleid op elkaar af en voeren het woord namens elkaar. Shell is politiek.

Dat moest de ambassade even aan Washington uitleggen. De Nederlandse verzorgingsstaat is te danken aan het Slochteren-veld, zo begint het, en als die reserves uitgeput zijn (circa 2030) wil het land „heel hardnekkig” zijn „unieke” energiepositie behouden. Daarom gaan de overheid en de energiesector nu al relaties aan met landen waar nog wel brandstoffen zijn. Rusland, vooral.

„De Koninklijke/Shell heeft forse invloed op het Nederlandse buitenlandbeleid”, schrijft de ambassade. En: Het grote Shell „heeft evenredig veel greep” op de overheid. Hiervoor voeren de Amerikanen twee bewijzen aan: de Shell-loopbaan van ex-minister van Financiën Wouter Bos en het uitwisselingsproject waarbij een topambtenaar twee jaar bij Shell werkt. Op de afdeling overheidsrelaties, met speciale aandacht voor „hot zones”. Precaire projecten.

De persoon die deze functie heeft in de jaren waarover de diplomatenpost is vrijgekomen – hij was de eerste – heeft een toevoeging achter zijn naam staan. „Protect”. Het geeft aan dat de identiteit van deze bron beschermd moet worden. Hij vertelt over Shells investeringsbeleid, over de wens van Shell actief te blijven in Iran, maar ook de Amerikanen die strengere sancties willen te vriend te houden en over potentiële reputatieschade voor Shell.

Uit zijn uitlatingen blijkt dat Shell en de overheid gevoelige zakelijke overwegingen niet alleen onderling met elkaar bespreken, maar ook met die derde partij: de VS. Over en weer worden vriendelijkheden uitgewisseld. Shell benadrukt de Amerikanen natuurlijk nooit tegen de haren in te willen strijken, de ambassadeur zegt de „transparantie” die het bedrijf betracht zo te waarderen en toenmalig minister van Economische Zaken Laurens-Jan Brinkhorst zegt van iedereen evenveel te houden: „Shell is zowel een Amerikaans als een Europees bedrijf.”

Het hebben van gezamenlijke vijanden – Rusland, Iran – bindt de drie. In het geval van Sachalin II vertelt een ambtenaar in november 2006 dat „Shell misschien uiteindelijk vrienden nodig heeft om een goed woordje te doen, maar nu nog niet”. Twee maanden later is het verzoek, ditmaal uitgesproken door een Shell-bestuurder, concreter. Kunnen de G8-landen niet tegen Rusland zeggen dat de wijze waarop Shell behandeld wordt „niet past binnen internationaal geaccepteerde normen”?

Eigenlijk, zo vatte Van der Veer eens voor de Amerikaanse ambassadeur samen, is het allemaal vrij overzichtelijk: „Uiteindelijk zijn wij een commercieel bedrijf.”