Ook de jeugd vergrijst

Dat de westerse samenlevingen steeds ouder worden doordat er minder kinderen geboren worden, terwijl de ouderen, vooral dankzij de voortschrijdende medische wetenschap, al maar ouder worden, is al jaren bekend en baart degenen die zich met de lange termijn bezighouden, maar langzamerhand ook de politiek, zorgen. Als het aandeel werkenden steeds kleiner wordt en het aandeel niet-werkenden steeds groter, dan zullen steeds minder mensen de lasten moeten dragen van het overleven van steeds meer niet-werkenden. Is die vergrijzing op den duur betaalbaar?

Dit is nog te berekenen. Maar wat zullen de sociale gevolgen van de vergrijzing zijn? Zullen de werkenden te eniger tijd in opstand komen tegen de niet-werkenden? Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn de afgelopen honderd jaar wel meer dingen gebeurd die onvoorstelbaar waren. Het meest humane voorbeeld is nog het verbod in China op het hebben van meer dan één kind per echtpaar, dat, met enige fantasie, uitgelegd zou kunnen worden als een opstand van de ouderen tegen de opkomende jeugd.

In elk geval mogen we niet uitsluiten dat er langzamerhand een wrevel zal ontstaan tegen de ouderen die de gemeenschap alleen maar geld kosten, vergelijkbaar met de nu al niet meer sluimerende weerzin tegen de allochtonen, van wie ook beweerd wordt dat ze, als ze ons onze banen niet afpikken, vegeteren op onze kosten. Het succes van Fortuyn en Wilders was enkele decennia geleden ook onvoorstelbaar.

In oosterse samenlevingen wordt de manier waarop het Westen met zijn ouderen omgaat, veelal barbaars gevonden. Daar worden de ouders, wanneer ze niet meer kunnen werken of zelfstandig wonen, door hun kinderen in huis opgenomen. Hier worden ze in aparte huizen ondergebracht. Dat die meestal van een luxe zijn die in het Oosten alleen maar voor de heel rijken is weggelegd, maakt niet dat die behandeling daar minder wreed wordt gevonden.

Dit zijn zorgen die voorlopig nog tot de lange termijn gerekend kunnen worden. Maar zou de vergrijzing niet al op kortere termijn gevolgen hebben voor de politieke kaart in de westerse landen? Hierover schijnen, althans wat Nederland betreft, weinig gegevens of zelfs prognoses beschikbaar te zijn. Het is dan ook minder een demografisch dan een psefologisch probleem (psefologie is de wetenschap die zich met de verklaring van verkiezingsuitslagen bezighoudt).

In Amerika lijkt men verder. Althans: in The Economist van 1 januari las ik een reportage uit Washington over de gevolgen die het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de babyboomers zal hebben. (De babyboom is de geboortegolf die vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog, dus in 1946, begon). Ook Nederland had toen zijn babyboom, die enkele jaren duurde.

In de komende twee decennia zal het percentage 65-plussers in de VS stijgen, van 17 tot 26. Dit zal in de eerste plaats economische gevolgen hebben. Zo zal het begrotingstekort ‘stratoferische’ hoogten bereiken. Maar het zal, volgens deze reportage, ook de verkiezingscijfers beïnvloeden. 65-plussers neigden er toch al toe eerder Republikeins dan Democratisch te stemmen, maar in de tussentijdse verkiezingen van november jl. lijkt die trend versterkt: onder de 65-plussers was 21 procent meer die Republikeins dan Democraat stemde. Bij de 25-minners was dat net andersom.

Dat doet de vraag rijzen of we in Nederland een soortgelijk verschijnsel zullen kunnen waarnemen, nu de naoorlogse geboortegolf de leeftijd van 65 jaar bereikt. Met andere woorden: of ook in Nederland de trend naar ‘rechts’ sterker zal worden. Die trend bestaat al: vorig jaar werd de VVD de grootste partij en kreeg Nederland een ‘rechts’ kabinet (onder een premier die twintig jaar jonger is dan Job Cohen). Is dit nog maar een begin?

Nu is de politieke kaart van het ene land niet gelijk aan die van het andere. In de VS gaat het grosso modo om slechts twee partijen, waarvan de Republikeinse, door de bank genomen, ‘rechtser’ is dan de Democratische. In Nederland is er een veelvoud van partijen en is die veelvoud al sinds enkele jaren in flux. De vroegere stabiliteit van het zuilenstelsel heeft plaatsgemaakt voor onzekerheid.

Teken van die onzekerheid is de pijlsnelle opkomst (en, in het eerste geval, neergang) van partijen als die van Fortuyn en Wilders. Maar zijn die wel als ‘rechts’ te beschouwen? Nationalistisch zijn ze wel (en dus anti-Europees), maar op sociaal gebied neigen ze eerder naar de SP dan naar de VVD. Een verdere groei van de PVV, die ook veel jongeren trekt, betekent dus nog niet automatisch dat de trend naar ‘rechts’ sterker wordt.

De vergrijzing heeft natuurlijk ook gevolgen voor andere sectoren dan economie en politiek. Ook de media zullen haar te voelen krijgen. Die zijn nu nog veelal in de ban van wat Christien Brinkgreve in Opzij eens de „jongeren-monocultuur” noemde, die vooral in de Amsterdamse regio welig tiert. Maar het kenmerkende van jeugd is dat zij niet altijd jeugd blijft. Ook zij wordt grijzer. En vooral: het percentage jeugdigen in de samenleving wordt kleiner, vergeleken met dat van de ouderen. Voelt dit groeiend percentage zich blijvend thuis bij een krant of zender die zich laat leiden door de – snel wisselende – smaken van de jeugd?