Onverwachte poëzie voor Rotterdammers

Nederland, Rotterdam, 19-01-11 Dichteres Ester Naomi Perquin. © Foto Merlin Daleman

Vorige week werd Ester Naomi Perquin (1980) verkozen tot stadsdichter van Rotterdam. Maar wat mag Rotterdam van haar verwachten? In haar gedichten is ze helder en schuwt ze de humor niet. Tegelijk hoopt ze ‘het grimmige dat zich onder de vernislaag bevindt’ bloot te leggen.

Perquin noemt zichzelf een dichter, maar ook schrijfster van verhalende teksten, radioverhalen en poëzie-essays. Literaire voorbeelden geven, vindt ze moeilijk. „Mijn werk is vergeleken met dat van uiteenlopende personen. Ooit in één week met Sartre en met Herzberg.”

Perquin groeide op in Zierkzee, maar heeft een speciale band met de stad waarover en waarvoor ze zal dichten. Ze woont er al enkele jaren en ontving er in november 2010 de Anna Blaman Prijs. „Ik voelde me door deze prijs een beetje extra Rotterdams. Zeeuws-Rotterdams, dat natuurlijk wel – maar evenzogoed. Het is fijn om na zoveel jaren in een stad de indruk te krijgen dat er wederzijdse sympathie is ontstaan, dat ik hier ben gaan horen.”

Als stadsdichter wil ze de Rotterdammers poëzie geven die hen even ondersteboven haalt. „Ik houd van onverwachte ontmoetingen, van poëzie waar je geen poëzie verwacht. Dat past ook bij deze stad. Hier rijden vuilniswagens met dichtregels door de straten. Poetry International werkt in Rotterdam al jaren samen met de gemeentereiniging om op die manier citaten door de stad te verspreiden. Ik ben zelf een keer bijna ondersteboven gegaan omdat ik, over mijn schouder kijkend, Anne Vegter aan het lezen was. Poëzie kan een enorme impact hebben.’’ Perquin, die al twee bundels heeft gepubliceerd, relativeert het stadsdichterschap als bewijs dat ze is doorgebroken. „Bij een doorbraak denk ik aan een gelukstelegram van het Koninklijk Huis. Dat zal binnen de poëziewereld niet gauw gebeuren.”

Haar tweede bundel vond ze een groter keerpunt: „Bij een eerste bundel krijg je het voordeel van de twijfel, een tweede wordt erg zorgvuldig onder de loep genomen. Nadat Namens de ander goed werd onthaald, ben ik geen wildebras geworden, maar kon ik wel de voorzichtigheid een beetje afschudden.”

Sabeth Snijders