Hoe veldtocht nieuw beeld Egypte schiep

De Egyptische veldtocht van Napoleon leverde veel nieuwe kennis op, gebundeld in een monumentaal boekwerk. Teylers Museum wijdt er een tentoonstelling aan.

Tweehonderd jaar geleden bracht Napoleon een bezoek aan Haarlem en wat nu het Teylers Museum is. Als zelfbenoemd modern heerser had hij ook belangstelling voor wetenschap. Dus liet hij zich onder andere de enorme elektriseermachine demonstreren – naar verluidt kon het vonken producerende apparaat een koe vellen. Het verhaal wil dat de keizer hiervoor een soldaat naar voren schoof. Het was een vochtige dag en daarom sprong er gelukkig voor de soldaat bij de ontlading van de machine slechts een klein vonkje over.

Het bezoek toen is voor Teylers Museum nu aanleiding aandacht te besteden aan Napoleons Egyptische veldtocht (1798-1801). Conservator Terry van Druten: „Aan de hand van prenten, boeken, reisverslagen, sieraden, mummies en opgezette dieren laten wij zien welke kennis van Egypte er voor en vlak na de veldtocht was.” Met name toont de tentoonstelling een van de tastbare wetenschappelijke opbrengsten van de veldtocht: een zeldzaam exemplaar van het 23-delige boekwerk Description de l’Égypte, waarvan enkele delen zo groot zijn als koelkastdeuren.

Belangrijkste bronnen voor Egypte in de zeventiende en achttiende eeuw waren de Bijbel en de Historiën van de antieke Griekse geschiedschrijver Herodotus. Het land gold daarom als mysterieus en een bron van oude kennis. Bijna geen westerling was er zelf geweest. Kunstenaars baseerden zich bij afbeeldingen van de piramiden op de witte piramide in Rome, het graf van de in 12 voor Christus overleden Cestius. En dus werden spitse punten een canoniek onderdeel van afgebeelde piramiden. Zelfs reizigers die ter plekke waren geweest, zoals de Nederlander Cornelis de Bruijn, raakten erdoor aangestoken. Terug in Europa twijfelde hij over wat hij had gezien en tekende hij vervolgens toch maar spitse punten.

De Franse veldtocht zou het beeld van Egypte in Europa drastisch veranderen. Napoleon, toen nog ‘gewoon’ generaal, wist de leiding van revolutionair Frankrijk ervan te overtuigen dat de verovering van Egypte en het Midden-Oosten de Britse aartsvijand een zware slag zou toebrengen. In het gevolg van 35.000 manschappen nam hij ook 167 wetenschappers, ingenieurs en kunstenaars mee. De wetenschappers waren in eerste instantie nodig voor praktische zaken, zoals onderzoeken wat de beste manier was om water te reinigen en om molens te bouwen voor voedselvoorziening. Maar ze kregen ook gelegenheid zich bezig te houden met de beschrijving van oudheden, flora en fauna, en het ‘moderne’ dagelijks leven in Egypte.

„Wiskundige Gaspard Monge had van Napoleon opdracht gekregen een wetenschappelijk team samen te stellen”, zegt conservator Van Druten. „Musicus Guillaume-André Villoteau heeft bijvoorbeeld Arabische instrumenten verzameld en als eerste Arabische muziek beschreven. Daarvoor moest hij eerst de Egyptische muzikanten het notenschrift leren.”

Zoöloog Jules César Savigny bestudeerde vogels. Door ibissen te observeren ontkrachtte hij de mythe dat ze slangen zouden eten. Ze bleken voornamelijk schelpdieren te eten. Van Druten: „Savigny was ook een man die zich verzette tegen de opkomende evolutieleer. Dierenmummies waren zeer oud en toch zagen de dieren er hetzelfde uit als in zijn tijd. Voor hem het bewijs dat ze nooit waren veranderd en dus waren geschapen.”

De belangrijkste wetenschappelijke ontdekking van de expeditie, die na de nederlaag van de Franse vloot tegen de Britten desastreus afliep, was de Steen van Rosetta. „Jean-Pierre Champollion, die in 1822 het hiërogliefenschrift heeft ontcijferd, was er niet bij”, zegt Van Druten. De steen, die de Fransen bij hun terugtrekking aan de Britten moesten afstaan, is wel op ware grootte in de Description afgebeeld. Dat kon: de grootste pagina’s meten 109 bij 68 centimeter. In drieën op zijn kant past de steen precies op drie bladzijden.

Het boekwerk, dat tussen 1809 en 1829 in 23 delen is verschenen, telt ruim 7.000 pagina’s en meer dan 3.000 afbeeldingen, waarvan ruim 800 in kleur. „Toenmalig bibliothecaris Martinus van Marum heeft de hele reeks in 1828 voor 1.578 guldens aangekocht”, weet Van Druten. Van die eerste druk zijn circa duizend exemplaren verschenen. „Teylers Museum is het enige instituut in Nederland dat een complete eerste druk bezit.”

De serie heeft nu vooral wetenschapshistorische waarde. Maarten Raven, conservator Egypte van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, vertelt in het magazine van Teylers Museum dat die voor Egyptologen al snel was achterhaald. Champollion vertrok na zijn ontcijfering zelf naar Egypte en publiceerde betere en betrouwbare afschriften van hiërogliefen.

De tentoonstelling ‘Egypte & Napoleon, oorlog en onderzoek’ in het Teylers Museum is vanaf zaterdag te zien, tot en met 8 mei.