Frauderende ambtenaar moeilijk te vangen

Ambtelijke corruptie wordt niet vaak bestraft. Het helpt dat de rechter niet langer een direct verband tussen geste en tegenprestatie meer hoeft te bewijzen.

Elf veroordelingen voor ambtelijke corruptie en omkoping op één dag. Dat mag gerust een succes voor het Openbaar Ministerie worden genoemd in een land waar integriteit volop bediscussieerd wordt, maar bestraffingen hoogst zeldzaam zijn. Eén hand, hooguit twee handen vol aan veroordelingen per jaar, zo bleek ruim vijf jaar geleden uit het onderzoek ‘Corruptie in het Nederlands openbaar bestuur’, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie’s Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC).

Het ministerie investeerde veel tijd en mankracht in de Limburgse bouwfraudezaak. Het onderzoek startte in de zomer van 2007 en leidde pas begin 2009 tot aanhoudingen. Nu, weer twee jaar later, liggen er de veroordelingen. Het blijft niet bij cel- en werkstraffen. Alle veroordeelde overheidsmedewerkers op een na mogen bovendien de komende twee jaar geen enkel ambt bekleden. De veroordeelde ambtenaar Jan S. moet ook een schadevergoeding van 19.450 euro betalen aan zijn oude werkgever, de provincie Limburg.

Op het moment van de aanhoudingen in 2009 werden ook huiszoekingen gedaan in tal van woningen, overheidsinstellingen en bedrijven. De daar gevonden documenten dienden met afgelegde verklaringen en telefoontaps als bewijs in de bouwfraudezaak.

Lastig blijft het aantonen van een direct verband tussen een geste en door ambtenaren verleende tegenprestaties. Maar sinds een aanscherping van de wet in 2001 is het niet langer nodig dat een ambtenaar weet dat hij wat krijgt in ruil voor een tegenprestatie. Het voldoet als hij redelijkerwijs kan vermoeden dat dat van hem wordt verlangd. Ook in het geval van de gisteren gedane uitspraken in Den Bosch maakte de rechter van deze bepalingen gebruik.

Waar het gaat om ambtelijke corruptie wordt een toespraak van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales (PvdA) uit 1992 nog altijd vaak aangehaald. „Een overheid is of wel integer of niet integer”, zei ze. „Een beetje integer bestaat niet.” Justitie kan in de praktijk echter weinig met grensgevallen. Naast gedrag dat ruim binnen de gangbare definities van corruptie valt, spelen veel handelingen zich in een onduidelijke schemerzone af. Noem het vrij naar Dales „een beetje niet integer”: smeren en fêteren, vriendjespolitiek, belangenverstrengeling. Bij de presentatie van hun onderzoek voor het WODC in 2005 signaleerden de wetenschappers Leo Huberts en Hans Nelen al dat dit minder aandacht krijgt dan de keiharde fraudegevallen.

De advocaten van de nu veroordeelde Janssen de Jong-managers Rob A. en Mark J. refereerden in hun pleidooien al aan het gevoel dat vooral de kleine krabbelaars moeten hangen. Ze signaleerden dat de Maastrichtse burgemeester Gerd Leers binnen een jaar na zijn terugtreden vanwege de Bulgaarse villa-affaire minister werd. Ze haalden aan dat Limburgse bestuurders en ambtenaren graag naar het feestje van parkeergaragebeheerder Q-Park komen aan het begin van het Preuvenemint, een jaarlijks culinair evenement op het Maastrichtse Vrijthof. De vorig jaar aangetreden Heerlense burgemeester Paul Depla die daar wat van zei, werd door zijn collega’s roomser dan de paus genoemd.

Zo is het ook voorstelbaar dat provincie-ambtenaar Jan S. en zijn eveneens veroordeelde echtgenote vreemd kijken naar de gang van zaken rond gedeputeerde Herman Vrehen. De CDA-bestuurder kwam vorig jaar in opspraak nadat duidelijk werd dat hij een zakelijke relatie had ingeschakeld voor de verkoop van zijn huis en van dezelfde man een paard te leen had gekregen. Het kostte hem zijn baan. Een commissie met de oud-ministers Wim Deetman en Benk Korthals concludeerde dat de gedeputeerde „onvoldoende alert” was geweest. Maar justitie bemoeide zich niet met de zaak. Vrehen is inmiddels al een half jaar directeur van Licom, het grootste sociale werkvoorzieningsbedrijf van Nederland.

Te verwachten valt dat tenminste een deel van de veroordeelden in beroep zal gaan. Ook het OM overweegt dat. Dat is ontevreden omdat oud-directeur Rob A. een lagere straf kreeg dan geëist. Hij heeft volgens de rechter wel geweten van omkooppraktijken, maar kan niet beschouwd worden als medepleger.