Angst voor islam verlamde Parijs

Veel Fransen vinden dat hun land te afwachtend heeft gereageerd op de val van Ben Ali in Tunesië. Sarkozy vindt dat principes en praktijk soms botsen.

Uit angst voor de radicale islam heeft Frankrijk de eerste moderne revolutie in de Arabische wereld volledig gemist en een kans laten liggen om Tunesië te helpen zich te ontwikkelen tot de eerste democratie in de Maghreb.

Deze harde kritiek komt van de Franse socioloog Sari Hanafi. Zijn analyse komt in veel toonaarden terug in het debat over de afstandelijke reactie van Parijs op de val van president Ben Ali.

In een debat in de commissie Buitenlandse Zaken zei socialistisch Kamerlid François Hollande dat het land van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap altijd voorop moet lopen in de strijd voor democratie en mensenrechten.

Maar president Sarkozy zei gisteren dat tegenover deze heldere principes een weerbarstige politieke en diplomatieke werkelijkheid staat. „Niet-inmenging en steun aan de democratie behoren tot de kern van ons buitenlands beleid. In de praktijk staan die principes soms tegenover elkaar.”

Dat moest de aarzelende opstelling van de Franse regering verklaren. Afgelopen vrijdag stelde minister van Buitenlandse Zaken Michelle Alliot-Marie nog openlijk voor om de ondertussen gevluchte president Ben Ali te steunen.

En terwijl president Obama het Tunesische volk feliciteerde met zijn heldhaftigheid, stond op de - meestal snelle - website van het Elysée nog dat Frankrijk „akte nam” van de politieke ontwikkelingen in Tunesië. „Bij een revolutie in Mexico had de Amerikaanse regering zich ook niet zo snel uitgesproken”, verweerde Alliot zich.

Volgens de voormalige socialistische premier Lionel Jospin laten de uitspraken van Alliot-Marie zien hoe Frankrijk worstelt met zichzelf. Analisten zeggen dat iedereen boter op zijn hoofd heeft. Ben Ali is jarenlang ondersteund door Parijs, van de socialistische president François Mitterrand tot Sarkozy nu. Minister van Cultuur Frédéric Mitterrand, neef van de voormalige president, vond het vorige week nog te ver gaan om Tunesië een dictatuur te noemen. De socialist Dominique Strauss-Kahn zag in 2008 als voorzitter van het IMF een land waar vooruitgang wordt geboekt.

Het Franse beleid in de Maghreb wordt gedomineerd door de angst voor de radicale islam. Al kort na zijn aantreden, in december 2007, verkondigde Sarkozy na een aanslag in Algiers dat de strijd tegen het „laffe, barbaarse terrorisme” een van de kernpunten zou worden van het Franse beleid in Noord-Afrika, en herhaalde hij zijn steun aan president Bouteflika. Begin dit jaar nog verruimde Sarkozy de mogelijkheid voor Franse militaire operaties in Noord-Afrika, wat leidde tot de mislukte poging om twee Franse gijzelaars in Niger te bevrijden. De Franse inmenging is er vooral gericht tegen de groeiende invloed van Al-Qaeda-in-de-islamitische- Maghreb.

Ben Ali zorgde in Tunesië voor stabiliteit, luidde het Franse antwoord aan wie Parijs verweet een fout regime te steunen. Alles liever dan een radicaal islamitische leider aan de macht. Volgens socioloog Hanafi was dat beroep op stabiliteit een excuus om met steun aan een dictatoriaal regime de Franse (economische) belangen veilig te stellen. Alsof er maar twee keuzes zouden zijn: een despoot aan de macht of de politieke islam.

Door de focus op de islam had Frankrijk niet in de gaten wat er gebeurde. Anderen zagen dat wel, zoals blijkt uit de ambtsberichten van de Amerikaanse ambassade die door WikiLeaks openbaar zijn gemaakt. Daarin werd de Franse ambassade in Tunis bestempeld als erg vriendelijk voor Ben Ali.

Frankrijk is „blind en autistisch” geweest, zegt politicoloog Vincent Geisser, omstreden wegens zijn contacten met radicale islamgroepen. „Het Tunesische volk zal deze Franse lafheid niet snel vergeten.”

Volgens Geisser is de Franse angst voor de radicale islam contraproductief. Een minderheid van jongeren voelt zich juist daarom aangetrokken tot radicale moslimleiders, meer de meerderheid van de Tunesische moslims is volgens hem bereid de democratische principes te aanvaarden. De kans dat Tunesië een islamitische republiek wordt, is in zijn ogen klein.

Een andere verklaring voor de Franse afstandelijkheid is de mogelijkheid dat de omwenteling in Tunesië burgers in de regio, met name Algerije, inspireert. Daar hebben al zeven demonstranten zichzelf in brand gestoken. Ook de Algerijnse president Bouteflika, die veel steun uit Frankrijk krijgt, zou in gevaar kunnen komen. En als Parijs ergens beducht voor is, is het alle controle in de Maghreb te verliezen.