Uitnodiging voor een goed gesprek

Onschuldig als een lam liep ik ’s avonds tegen half acht over een van onze Amsterdamse grachten, toen een vrouwenstem mij toeriep: „Wat loop jij snel, zeg!”

Ik keek opzij en zag een vrouw die op een fiets aan de overkant van de weg langs mij reed en in mijn richting keek. „Hoezo?” vroeg ik.

„Nou, misschien heb je wel zin om ergens een kopje thee met me te drinken”, riep ze, terwijl ze vaart minderde en een halve bocht maakte om bij me uit te komen.

„Kennen wij elkaar ergens van?” vroeg ik verbouwereerd.

Er flitsten enkele mogelijkheden door mij heen: een iets te enthousiaste lezeres van deze rubriek, een vage kennis van wie ik het gezicht vergeten was, iemand die mij verwarde met een andere persoon en nu de hand voor de mond zou slaan en roepen: „Neem me niet kwalijk, ik dacht het Henk was”?

Ze stond inmiddels voor me, de fiets aan haar hand. Ze droeg een lange, zwarte regenjas en had een bleek gezicht en rossig haar. Haar leeftijd was in het donker moeilijk te schatten: omstreeks de vijftig, gokte ik.

„Niet dat ik weet”, zei ze. „Ik zoek alleen maar iemand voor een goed gesprek.”

Ik keek haar peinzend aan en zweeg.

„Nou, dan ga ik maar weer”, zei ze. Ze stapte op en fietste weg.

Ik liep door en keek nog even achterom over mijn schouder, niet erg gewend zijnde aan geestverschijningen op de Amsterdamse grachten. Daar kwam ze weer aan! Ze stapte af en zei met een lachje: „Eigenlijk is dat een rare vraag: kennen wij elkaar ergens van? Dat is toch helemaal niet nodig voor een goed gesprek? Want daar gaat het mij om: een goed gesprek. Ik zie mensen lopen en nodig ze uit.”

„Mannen en vrouwen?”

„Alleen mannen.”

„Waar? Bij jouw thuis?”

„Dat kan altijd nog. Eerst gaan we praten in een café in de buurt.”

Ze zei het op een laconieke toon, alsof het de vanzelfsprekendste zaak van de wereld was. Ik keek nog eens goed naar haar. Keurige verschijning, verzorgde spraak, voorbijgangers zouden denken dat ik een praatje met mijn buurvrouw maakte.

„Hoe lang doe je dit al?” vroeg ik.

„Sinds een jaar ongeveer.”

„Alleen ’s avonds?”

„Welnee, ook overdag.”

„Is het niet onveilig?”

Ze haalde haar schouders op. „Wat kan me nou gebeuren als ik met iemand ergens ga zitten?”

„Hoe reageren die mannen?”

„Sommigen doen het, sommigen niet. Een man gaf me zijn telefoonnummer. Maar toen ik later belde, hoorde ik zó’n nare stem op zijn voice-mail dat ik er maar vanaf heb gezien.”

„Kijk je goed naar iemand? Had je me al een tijdje gevolgd?”

„Even.” Weer dat korte lachje. „Het leek me wel aardig.”

Ik behoorde tot de uitverkorenen van de avond, maar ik was nog altijd te verbaasd om me gevleid te voelen. Ik besefte dat ik tegenover een soort vrouwelijke Theo Kars stond, de schrijver die in zijn jongere jaren dagelijks in de Kalverstraat willekeurige dames aanhield met de vraag: „Ga je mee?” Volgens Theo zeiden velen: „Ach ja, waarom niet.”

„Sorry”, zei ik, „ik moet naar huis.” Het was nog waar ook.

„Dat begrijp ik”, zei ze luchtig. „We hebben in ieder geval toch een goed gesprek gehad, al was het kort. Dag!” En ze verdween weer op haar fiets in het duister.

Ik telde mijn raadsels en ging op huis aan.