Snowboarders hebben cannabis afgezworen

Bij het snowboarden is niet langer sprake van een marihuanacultuur. Maar voor freestylers draait het deze week bij het WK in Spanje nog steeds om ‘fun’.

Ooit nog iets van Cheryl Maas gehoord? De snowboardster verscheen in 2006 vrij plotseling bij de Winterspelen in Turijn en verliet Italië nog voor de sluitingsceremonie. Zij beoefende de halfpipe, een sneeuwgeul waarin vooral jongeren in blitse kleding moeilijke kunsten (tricks) vertonen. Maas was een professioneel snowboardster, die in Turijn even kwam buurten bij de Winterspelen. Leuk uitstapje, vond ze, maar daarna keerde ze snel terug naar het circuit waar de rivaliteit milder is dan op de Spelen.

Maas paste niet in de topsportcultuur. Opname van snowboarden in het olympische programma betekende dat haar sport mainstream was geworden. Niet de biotoop waarin de ware snowboarder zich thuis voelt. Die wil tot een subcultuur behoren; leven met normen die losstaan van en soms indruisen tegen die van de heersende cultuur. Maas was alleen nieuwsgierig. Ze wilde de Spelen wel eens meemaken.

De oorspronkelijke snowboarders zouden niet op de Winterspelen passen. Zij waren de punkers onder de skiërs. De subcultuur van het snowboarden verbond ook de stad met de sneeuw; de skate- en surfcultuur verplaatste zich in de winter naar de sneeuwhellingen. Snowboarders kregen het stempel van onruststokers. Ook hadden ze de naam hun sport in wolken van cannabis te beoefenen.

Een stereotype waaraan ze liever niet worden herinnerd. De snowboarders worden nu niet graag als cannabisgebruiker aangemerkt. Maar zij hadden de schijn tegen, omdat in 1998 bij de Spelen in Nagano de eerste olympisch kampioen snowboarden, de Canadees Ross Rabliagti, bij de dopingcontrole op marihuana werd betrapt. Volgens snowboarder Dolf van der Wal (zie inzet) is er door de strenge dopingregels nu geen sprake meer van een marihuanacultuur. Stellig: „Nee, ik gebruik geen cannabis. Ben je gek zeg, ik ga mijn positie niet op het spel zetten.”

Maar Van der Wal beoefent wel de halfpipe en big air (steile wand), freestylenummers waar nu nog van een zekere subcultuur sprake is. Daar is volgens hem vooral de fun belangrijk, zelfs op het hoogste niveau. Op snelheidsnummers als cross en (reuzen)slalom wordt een keiharde competitie gevoerd. Die deelnemers rekenen zich al lang niet meer tot een subcultuur.

De integratie van het snowboarden weerspiegelt zich de laatste twintig jaar ook op de toeristische skipistes. Waar snowboarders met hun afwijkende kleding en provocerend gedrag vroeger de schrik van de sneeuwhellingen waren, is snowboarden nu breed geaccepteerd onder recreanten. Circa 30 procent van die groep skiërs gebruikt een snowboard.

Ward Trutmans, die voor zijn studie Leisure aan de Universiteit Tilburg onderzoek deed naar de cultuur van het snowboarden, stelde ook vast dat snowboarden onder recreanten geen fenomeen meer is. „Het is er nu ook voor de blanke middenklasse. Zelfs vijftigers zie je nu op een board naar beneden gaan. De verandering is in gang gezet door de media. Die gingen er vanaf de jaren tachtig meer over berichten. Er kwamen speciale magazines en websites. Maar het omslagpunt kwam in 1998 toen snowboarden werd toegevoegd aan het programma van de Spelen. De tijd van vrijheid-blijheid was voorbij. Snowboarden was een serieuze sport geworden.”

Marcel Looze, tot vorig seizoen racedirecteur snowboarden van de internationale skifederatie FIS, ziet onder de freestyleskiërs nog steeds onaangepast gedrag, maar stelt vast dat de verschillen niet meer zo groot zijn. „Bij de halfpipe is de sfeer minder relaxed geworden. Ook daar wordt steeds meer op details gelet. Het klopt dat er onder deelnemers aan de freestyleonderdelen meer kameraadschap heerst. Maar ook zij willen graag winnen hoor, zeker bij de Spelen. Maar toegegeven, ze zullen altijd anders blijven.”